Note 9 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Bij de hoogere Schaaldieren vormen de voorpooten een paar knijpers (chelae) en deze zijn bij het mannetje gewoonlijk grooter dan bij het wijfje. Bij vele soorten zijn de knijpers aan de tegenovergestelde zijden van het lichaam van ongelijke grootte; die aan de rechterzijde is, naar de heer C. Spence Bate mij mededeelt, gewoonlijk, hoewel niet altijd, de grootste. Deze ongelijkheid is dikwijls veel grooter bij het mannetje dan bij het wijfje. De beide knijpers verschillen dikwijls ook in maaksel (Fig. 17, 18, 19), waarbij dan de kleinste op die van het wijfje gelijkt. Welk voordeel wordt verkregen door hun ongelijkheid in grootte aan de beide tegenovergestelde zijden van het lichaam, en door hun veel grootere ongelijkheid bij het mannetje dan bij het wijfje; en waarom beide, als zij even groot zijn, bij het mannetje dikwijls veel grooter zijn dan bij het wijfje, is niet bekend. De knijpers zijn dikwijls zoo lang en groot, dat zij, naar ik van den heer Spence Bate hoor, bij geen mogelijkheid kunnen worden gebruikt om voedsel naar den mond te brengen. Bij de mannetjes van zekere zoetwater-steurkrabben (Palaemon) is de rechterpoot feitelijk langer dan het geheele lichaam.9 Het is waarschijnlijk, dat de aanzienlijke grootte van een poot met zijn knijpers het mannetje helpt bij het gevecht met zijn medeminnaars; maar dit gebruik verklaart hun ongelijke grootte aan de tegenovergestelde zijden van het lichaam bij het wijfje niet. Bij een soort van strandkrab (Gelasimus) leven, volgens een door Milne Edwards aangehaalde mededeeling10, het mannetje en het wijfje in het zelfde hol, hetgeen opmerkenswaardig is, daar het bewijst, dat zij paarsgewijze leven, en sluit het mannetje den ingang van het hol met een zijner knijpers, die verbazend sterk ontwikkeld is, zoodat deze hier indirect als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt. Hun voornaamste doel is echter waarschijnlijk om het wijfje te grijpen en vast te houden, en in sommige gevallen, zooals bij de zoetwatergarnalen (Gammarus) weet men met zekerheid, dat dit zoo is. Bij de gewone strandkrab (Carcinus maenas) paren de beide seksen echter, naar de heer Spence Bate mij verzekert, onmiddellijk nadat het wijfje is verveld en haar harde schaal heeft verloren. Zij is dan zoo zacht, dat zij zou worden beschadigd, als zij door de sterke knijpers van het mannetje werd gegrepen; maar daar zij door het mannetje wordt gevat en medegedragen, vóór zij vervelt, kan het dan zonder gevaar geschieden.