← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 7 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Het Onder-Rijk der Gelede Dieren (Arthrozoa): Klasse der Schaaldieren (Crustacea).—In deze groote klasse ontmoeten wij voor het eerst ontwijfelbare secundaire seksueele kenmerken, die dikwijls buitengewoon ontwikkeld zijn. Ongelukkig zijn de gewoonten der Schaaldieren slechts zeer onvolkomen bekend, en kunnen wij het gebruik van vele deelen die slechts door ééne der beide seksen worden bezeten, niet verklaren. Bij de lagere parasietische soorten zijn de mannetjes klein van gestalte, en bezitten alleen deze volkomen zwempooten, sprieten en zintuigen, terwijl de wijfjes deze organen missen en haar lichaam dikwijls slechts uit een misvormde massa bestaat. Deze buitengewone verschillen tusschen de beide seksen staan echter ongetwijfeld in verband met haar hoogst verschillende levenswijze, en gaan ons derhalve hier niet aan. Bij verschillende Schaaldieren, tot onderscheidene families behoorende, zijn de voorste sprieten voorzien van bijzondere draadvormige lichamen, die men voor reukorganen houdt, en deze zijn veel talrijker bij de mannetjes dan bij de wijfjes. Daar de mannetjes, ook zonder eenige buitengewone ontwikkeling van hun reukzintuig, bijna zeker in staat zouden zijn om de wijfjes vroeger of later te vinden, is de vermeerdering van het aantal reukdraden waarschijnlijk een gevolg van de seksueele teeltkeus, daar de mannetjes die er het grootste getal van bezaten, er het best in slaagden om wijfjes te vinden en hun geslacht voort te planten. Fritz Müller heeft een opmerkelijke dimorphische soort van Tanais beschreven, bij welke het mannetje door twee verschillende vormen wordt vertegenwoordigd, tusschen welke geen overgangsvormen worden gevonden. Bij den eenen vorm bezit het mannetje een grooter aantal reukdraden en bij den anderen krachtiger en langer knijpers (chelae), welke dienen om het wijfje vast te houden. Fritz Müller oppert het denkbeeld, dat deze verschillen tusschen de beide mannelijke vormen van een zelfde soort zijn ontstaan, doordat bij sommige individu’s het aantal reukdraden, bij andere de vorm en grootte der knijpers varieerden, zoodat van de eersten zij die het best in staat waren het wijfje te vinden, en van de laatsten zij die het best in staat waren haar vast te houden als zij haar hadden gevonden, het grootste aantal nakomelingen hebben nagelaten, die hun respectieve voordeelen erfden.7

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings