Note 79 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Vele Bladsprietigen (Lamellicornia) bezitten het vermogen om te sjirpen zeer luid, zoodat, toen de heer F. Smidt een voorwerp van Trox sabulosus ving, een boschwachter die er bij stond, dacht, dat hij een muis had gevangen; ik slaagde er echter niet in om de sjirporganen bij dezen kever te ontdekken. Bij Geotrupes en Typhaeus loopt een smalle rug (r, Fig. 56) schuins over de heup (coxa) van elken achterpoot, die bij Geotrupes stercorarius 84 ribben heeft, die worden geschrapt met een bijzonder uitstekend deel van een der ringen van het achterlijf. Bij de nauw verwante Copris lunaris loopt een uiterst smalle fijne rasp langs de binnenranden der dekschilden en een andere korte rasp dicht bij den grond van den buitenrand; maar bij sommige andere mesttorren (Coprini) is de rasp, volgens Leconte79, op de rugvlakte van het achterlijf gelegen. Bij Oryctes ligt zij op het propygidium en bij sommige andere houteters (Dynastini), volgens den zelfden insektenkenner, op de ondervlakte der dekschilden. Eindelijk vermeldt Westring, dat bij Omaloplia brunnea de rasp op het prosternum en de schrapper op het metasternum is geplaatst, zoodat deze deelen derhalve aan de onderste oppervlakte van het lichaam zijn geplaatst, in plaats van aan de bovenste, zooals bij de Boktorren (Longicornia).