← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 66 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

De buitengewone grootte der horens en hun zeer verschillend maaksel bij nauw verwante vormen bewijzen, dat zij met het eene of andere belangrijke doel zijn gevormd; maar hun bovenmatige variabiliteit bij de mannetjes van de zelfde soort voert tot het besluit, dat dit doel niet van een bepaalden aard kan zijn. De horens vertoonen geen teekenen van afslijting, alsof zij voor het eene of andere gewone werk werden gebruikt. Sommige schrijvers onderstellen66, dat de mannetjes, daar zij veel meer rondtrekken dan de wijfjes, horens noodig hebben om zich tegen hun vijanden te verdedigen; in vele gevallen schijnen echter de horens niet goed voor de verdediging geschikt te zijn, daar zij niet scherp zijn. De meest voor de hand liggende onderstelling is, dat zij door de mannetjes worden gebruikt om te vechten; maar men heeft nooit waargenomen, dat zij vochten; ook kon de heer Bates na een zorgvuldig onderzoek van vele soorten, in hun verminkten of gebroken toestand geen voldoende bewijzen vinden, dat zij daarvoor waren gebruikt. Als de mannetjes gewoon waren met elkander te vechten, zou hun grootte waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn toegenomen, zoodat zij die bij het wijfje zou hebben overtroffen; de heer Bates vindt echter, na de beide seksen bij meer dan honderd soorten van Mesttorren (Copridae) met elkander te hebben vergeleken, bij goed ontwikkelde individu’s in dit opzicht volstrekt geen merkbaar verschil. Er is bovendien één kever, tot de zelfde groote afdeeling der Bladsprietigen (Lamellicornia) behoorende, van welke men weet, dat de mannetjes met elkander vechten; maar zij zijn niet van horens voorzien, hoewel hun bovenkaken veel grooter zijn dan die van het wijfje.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings