Note 55 — SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Sommige soorten van Neurothemis vertoonen volgens Brauer55 een merkwaardig geval van dimorphisme, daar het adernet der vleugels bij sommige wijfjes den gewonen vorm vertoont, terwijl het bij andere wijfjes „zeer rijk aan aderen is, evenals bij de mannetjes van de zelfde soort.” Brauer verklaart dit verschijnsel volgens de Darwinistische beginselen „door de onderstelling, dat een groote rijkdom aan aderen een secundair seksueel kenmerk der mannetjes is”. Dit kenmerk is gewoonlijk alleen bij de mannetjes ontwikkeld; maar daar het, evenals elk ander mannelijk kenmerk, bij de wijfjes latent voorhanden is, komt het nu en dan ook bij deze tot ontwikkeling. Wij hebben hier een voorbeeld van de wijze waarop de beide seksen van vele dieren er waarschijnlijk toe zijn gekomen om op elkander te gelijken, namelijk door wijzigingen, die eerst bij het mannetje verschenen, bij dit bewaard bleven en dan werden overgebracht op en ontwikkeld bij de wijfjes; bij dit bijzondere geslacht komt echter nu en dan plotselinge en volkomen overbrenging tot stand. De heer MacLachlan deelt mij een ander geval van dimorphisme mede, dat bij verscheidene soorten van Agrion plaats grijpt, bij welke men een zeker aantal individu’s vindt van een oranjekleur, en dit zijn zonder uitzondering wijfjes. Dit is waarschijnlijk een geval van atavisme; want wanneer bij de ware Waternimfen (Libellulae) de seksen in kleur verschillen, zijn de wijfjes altijd oranje of geel, zoodat, als men onderstelt dat Agrion afstamt van den eenen of anderen oorspronkelijken vorm die de kenmerkende seksueele kleuren der typische Waternimfen (Libellulae) bezat, het niet te verwonderen zou zijn, zoo een neiging om in die richting af te wijken, alleen bij de wijfjes bestond.