← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 1 — GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

In de verbazend groote klasse der Insekten verschillen de beide seksen soms in haar bewegingsorganen en dikwijls in haar zintuigen, zooals in de gekamde en schoon gevederde sprieten van de mannetjes van vele soorten. Bij een der Haften (Ephemerae), namelijk Chloëon, heeft het mannetje groote gesteelde oogen, die het wijfje geheel mist.1 De bijoogjes (ocelli) ontbreken bij de wijfjes van verschillende andere insekten, zooals bij de Mutillen, bij welke zij ook vleugelloos zijn. Wij moeten hier hoofdzakelijk handelen over inrichtingen waardoor het eene mannetje in staat wordt gesteld om het andere te overwinnen, hetzij in den strijd of in de vrijage, door zijn kracht, strijdlust, versierselen of muziek. Bij de tallooze inrichtingen die het mannetje in staat stellen het wijfje te grijpen, behoeven wij hier daarom slechts kort stil te staan. Behalve de samengestelde organen aan de spits van het achterlijf, die wellicht als primaire organen2 moeten worden beschouwd, „is het verwonderlijk”, zooals de heer B. D. Walsh3 heeft opgemerkt, „hoevele verschillende organen in de natuur voorkomen, die slechts tot het schijnbaar onbeteekenende doel dienen om het mannetje in staat te stellen het wijfje stevig vast te grijpen.” De bovenkaken (mandibulae) worden daartoe somtijds gebruikt; zoo heeft het mannetje van Corydalis cornutus (een Netvleugelig Insekt, eenigermate met de Gaasvliegen, enz. verwant) verbazend groote kromme kaken, soms vele malen langer dan die van het wijfje; en zij zijn glad in plaats van getand, waardoor hij haar kan grijpen zonder haar te beschadigen.4 Een der Vliegende Herten van Noord Amerika (Lucanus Elaphus) gebruikt zijn kaken, die veel grooter zijn dan die van het wijfje, tot het zelfde doel, maar waarschijnlijk ook om te vechten. Bij een der Graafwespen (Ammophila) gelijken de bovenkaken der beide seksen nauwkeurig op elkander, maar worden tot zeer verschillende doeleinden gebruikt; de mannetjes, die, zooals professor Westwood opmerkt, „uiterst vurig zijn, grijpen hun gezellinnen om den hals met hun sikkelvormige kaken”5, terwijl de wijfjes deze organen gebruiken om in het zand te graven en haar nesten te maken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings