Note 88 — GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Dat dit het gevolg zou zijn van bovengenoemden vorm van kindermoord, schijnt bijna zeker; als wij ten minste aannemen, dat de geneigdheid om bij voorkeur kinderen van een bepaalde sekse voort te brengen, erfelijk is. Daar echter de bovengenoemde getallen zoo uiterst weinige zijn, heb ik naar meer bewijzen gezocht, maar kan niet beslissen, of hetgeen ik heb gevonden, vertrouwen verdient; toch zijn de feiten echter wellicht vermeldenswaardig. De Maori’s van Nieuw-Zeeland hebben lang kindermoord gepleegd, en de heer Fenton88 getuigt, dat hij „voorbeelden heeft ontmoet van vrouwen die vier, zes en zelfs zeven harer kinderen, en wel meest meisjes, hadden vermoord. Zij die het meest bevoegd zijn er over te oordeelen, getuigen algemeen, dat dit gebruik sedert vele jaren bijna geheel heeft opgehouden te bestaan. Waarschijnlijk mag men aannemen, dat 1835 het jaar is, waarin het geheel in onbruik is geraakt.” Nu worden er bij de Nieuw-Zeelanders, evenals bij de Toda’s, aanmerkelijk meer jongens dan meisjes geboren. De heer Fenton merkt op (blz. 30): „Eén ding is zeker, hoewel de juiste tijd waarop deze vreemde toestand van wanverhouding tusschen de beide seksen is begonnen, niet met zekerheid kan worden bepaald, is het volkomen duidelijk, dat deze afneming in volle werking was gedurende de jaren 1830 tot 1844, toen de niet-volwassen bevolking van 1844 werd voortgebracht, en met groote kracht tot heden toe is voortgegaan.” De volgende opgaven zijn ontleend aan den heer Fenton (blz. 26); maar daar de getallen niet groot zijn en de volkstelling niet nauwkeurig was, kan men geen eenvormige resultaten verwachten. Men bedenke in dit en het volgende geval, dat de normale toestand van iedere bevolking een overmaat van vrouwen is, ten minste in alle beschaafde landen, voornamelijk ten gevolge van de grootere sterfte van de mannelijke sekse gedurende de jeugd, en gedeeltelijk van allerlei ongevallen in hun latere leven. In 1858 schatte men de inlandsche bevolking van Nieuw-Zeeland op 31667 mannen en 24303 vrouwen van allerlei leeftijd, dat is in de verhouding van 130.3 mannen op 100 vrouwen. Maar in dit zelfde jaar werden in sommige beperkte districten de getallen met veel zorg nagegaan, en waren hier de mannen van allerlei leeftijd 753 en de vrouwen 616 in getal; dat is in de verhouding van 122.2 mannen op 100 vrouwen. Het is belangrijker voor ons, dat men in dat zelfde jaar 1858 bevond, dat in het zelfde district het aantal onvolwassen mannen 178 en het aantal onvolwassen vrouwen 142 was, dat is in de verhouding van 125.3 tot 100. Men kan er bijvoegen, dat in 1844, op welken tijd het dooden van vrouwelijke kinderen nog maar pas had opgehouden, de onvolwassen mannen in een district 281 en de onvolwassen vrouwen slechts 194 in getal waren, dat is in de verhouding van 144.8 mannen op 100 vrouwen.