← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 87 — GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Er is reden om te vermoeden, dat in sommige gevallen de mensch door teeltkeus indirect invloed heeft uitgeoefend op zijn eigen seksevoortbrengende vermogens. Zekere vrouwen hebben een geneigdheid gedurende haar geheele leven meer kinderen van de eene sekse dan van de andere voort te brengen; en het zelfde gaat door bij vele dieren, bij voorbeeld koeien en paarden. Zoo vermeldde ik boven (blz. 481) reeds, dat volgens den heer Wright van Yeldersley House, een zijner Arabische merries, hoewel zevenmaal door verschillende hengsten gedekt, zeven merrieveulens voortbracht. Hoewel ik zeer weinig bewijzen er voor heb, zou de analogie leiden tot het geloof, dat de neiging om bij voorkeur jongen van een bepaalde sekse voort te brengen, kan worden overgeërfd gelijk bijna elke andere eigenaardigheid, bij voorbeeld die om tweelingen voort te brengen; en betreffende deze laatste geneigdheid heeft de heer J. Downing mij feiten medegedeeld, die schijnen te bewijzen dat dit plaats heeft bij sommige families van korthoornige runderen. Kolonel Marshall87 heeft vóór eenige jaren na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Toda’s, een bergstam in Engelsch Indië, bestaan uit 112 mannen en 84 vrouwen van allerlei leeftijd—dit is een verhouding van 133.3 mannen op 100 vrouwen. De Toda’s, bij wier huwelijken veelmannerij (polyandrie) heerscht, brachten in vroeger tijd onveranderlijk de meeste vrouwelijke kinderen om het leven; maar deze gewoonte is nu sedert aanmerkelijken tijd afgeschaft. Bij de in de laatste jaren geboren kinderen zijn de jongens talrijker dan de meisjes in de verhouding van 124 tot 100. Kolonel Marshall verklaart dit feit op de volgende vernuftige manier. „Laat ons bij voorbeeld drie huisgezinnen nemen om het gemiddelde van den geheelen stam voor te stellen; stel dat ééne moeder zes dochters en geen zoon voortbrengt; dat een tweede moeder alleen zes zoons heeft, terwijl de derde moeder drie zoons en drie dochters heeft. De eerste moeder doodt, volgens de gewoonte van den stam, vier dochters en houdt er twee in leven. De tweede behoudt haar zes zoons. De derde doodt twee dochters en houdt er ééne, alsook haar drie zoons. Wij hebben dus uit de drie huisgezinnen negen zoons en drie dochters, die hun geslacht verder voortplanten. Doch terwijl de mannen grootendeels behooren tot huisgezinnen waarin de geneigdheid om zoons voort te brengen groot is, behooren de vrouwen grootendeels tot die bij welke geen geneigdheid bestaat om bij voorkeur meisjes voort te brengen. Zoo versterkt zich de geneigdheid om bij voorkeur jongens voort te brengen met elke generatie, totdat wij eindelijk vinden, dat de huisgezinnen in den regel meer zoons dan dochters hebben.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings