Note 79 — GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
In andere orden zijn, wegens onbekende oorzaken, maar in sommige gevallen blijkbaar ten gevolge van maagdelijke voortplanting (parthenogenesis), de mannetjes nooit ontdekt, of zijn uiterst zeldzaam, gelijk bij verscheidene Galwespen (Cynipidae).79 Bij alle aan den heer Walsh bekende Galwespen zijn de wijfjes vier- of vijfmaal talrijker, dan de mannetjes; en het zelfde is, naar hij mij meldt, het geval met de gal-appelbewonende Cecidomyidae (Tweevleugeligen, Diptera). Bij sommige gewone soorten van Bladwespen (Tenthredinae) heeft de heer F. Smith honderden voorwerpen uit larven van allerlei grootte opgekweekt, maar heeft nooit een enkel mannetje verkregen; daarentegen zegt Curtis80, dat bij zekere door hem opgekweekte soort (Athalia) de mannetjes tot de wijfjes stonden als zes tot één; terwijl juist het omgekeerde het geval was bij de volkomen insekten van de zelfde soort, die in het open veld werden gevangen. In de familie der Bijen verzamelde Herman Müller81 een groot aantal voorwerpen van verschillende soorten en kweekte andere uit de poppen op, en telde de seksen. Hij bevond, dat bij sommige soorten de mannetjes de wijfjes zeer in aantal overtreffen; bij andere was het omgekeerde het geval; en bij wederom andere waren de beide seksen nagenoeg even talrijk. In de meeste gevallen komen echter de mannetjes vroeger uit de pop dan de wijfjes, zoodat zij in het begin van den broedtijd feitelijk de meerderheid hebben. Müller merkte ook op, dat het betrekkelijk aantal van de beide seksen bij sommige soorten op verschillende plaatsen zeer onderscheiden was. Doch gelijk H. Müller zelf mij deed opmerken, moeten deze waarnemingen met eenige omzichtigheid worden ontvangen, daar de eene sekse wellicht gemakkelijker aan de opmerkzaamheid ontsnapt dan de andere. Zoo heeft zijn broeder Fritz Müller in Brazilië opgemerkt, dat de beide seksen van de zelfde soort van bij dikwijls verschillende soorten van bloemen bezoeken. Wat de Rechtvleugeligen (Orthoptera) betreft, weet ik nauwelijks iets omtrent het betrekkelijk aantal der seksen: Körte82 zegt echter, dat onder 500 sprinkhanen die hij onderzocht, de mannetjes tot de wijfjes stonden als vijf tot zes. Omtrent de Netvleugeligen (Neuroptera) getuigt de heer Walsh, dat bij vele, maar geenszins bij alle soorten van Haften (Ephemerina) een groote overmaat van mannetjes is; ook bij het geslacht Hetaerina zijn de mannetjes minstens viermaal zoo talrijk als de wijfjes. Bij sommige soorten van het geslacht Gomphus zijn de mannetjes even talrijk als de wijfjes, terwijl bij twee andere soorten de wijfjes minstens tweemaal of driemaal talrijker dan de mannetjes zijn. Bij sommige Europeesche soorten van Houtluizen (Psocus) kan men duizenden wijfjes verzamelen zonder een enkel mannetje, terwijl bij andere soorten van het zelfde geslacht beide seksen algemeen voorkomen.83 In Engeland heeft de heer MacLachlan honderden wijfjes van Apatania muliebris gevangen, maar het mannetje heeft hij nimmer gezien, en van Boreus hyemalis zijn hier slechts vier of vijf mannetjes gezien.84 Bij de meesten dezer soorten (uitgezonderd, naar ik heb gehoord, bij de Bladwespen, Tenthredinae) is er geen reden om te onderstellen, dat de wijfjes zich zonder bevruchting kunnen voortplanten; en zoo zien wij, hoe onwetend wij zijn omtrent de oorzaken van het blijkbare verschil in de getalsverhouding der beide seksen.