Note 73 — GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Toen dit onderwerp van de getalsverhouding der seksen bij insekten in de Engelsche Entomologische Vereeniging ter sprake werd gebracht73, nam men algemeen aan, dat de mannetjes van de meeste Schubvleugeligen (Lepidoptera), in den toestand van volkomen insekt, in grooter aantal worden gevangen dan de wijfjes; maar dit feit werd door onderscheidene waarnemers toegeschreven aan de meer afgezonderde levenswijze van het wijfje en aan de omstandigheid, dat het mannetje vroeger uit de pop komt. Dit laatste is, gelijk welbekend is, het geval met de meeste Schubvleugeligen (Lepidoptera) en ook met andere insekten. Zoo gaan, gelijk de heer Personnat opmerkt, de mannetjes van den tammen Bombyx Yama-Maju in het begin van het seizoen en de wijfjes aan het einde daarvan verloren, wegens gebrek aan voorwerpen van de andere sekse om mede te paren.74 Ik kan echter maar niet tot de overtuiging komen, dat deze oorzaken voldoende zijn om de groote overmaat van mannetjes in de bovenvermelde gevallen bij kapellen die in haar vaderland uiterst gemeen zijn, te verklaren. De heer Stainton, die gedurende vele jaren zooveel studie van de kleinere nachtvlinders heeft gemaakt, meldt mij nog, dat hij, toen hij ze in den toestand van volkomen insekt verzamelde, dacht, dat de mannetjes tienmaal zoo talrijk waren als de wijfjes, maar dat hij, sedert hij ze op groote schaal uit de rups opkweekte, overtuigd is, dat de wijfjes het talrijkst zijn. Verscheidene insektenkenners deelen deze zienswijze. De heer Doubleday echter, en eenige anderen, zijn van een tegenovergestelde meening en overtuigd, dat zij uit de eieren en rupsen naar verhouding meer mannetjes dan wijfjes hebben opgekweekt.