Note 67 — GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Bij de Karpervisschen (Cyprinidae) schijnen de mannetjes ook in overmaat voorhanden te zijn; maar verscheidene leden van deze familie, namelijk de karper, de zeelt, de brasem en Leuciscus phoxinus, schijnen geregeld de in het dierenrijk zeldzame gewoonte van veelmannerij (polyandrie) te volgen; want bij het kuitschieten wordt het wijfje steeds door twee mannetjes vergezeld, één aan elke zijde, en in het geval van den brasem door drie of vier mannetjes. Dit feit is zoo wel bekend, dat altijd wordt aanbevolen, bij het bevolken van een vijver twee mannelijke zeelten op één wijfje of ten minste drie mannelijke zeelten op twee wijfjes te nemen. Van Leuciscus phoxinus getuigt een uitnemend waarnemer, dat op de plaatsen waar kuit wordt geschoten, de mannetjes tienmaal zoo talrijk zijn als de wijfjes; als een wijfje onder de mannetjes komt, dringt onmiddellijk aan elke zijde een mannetje dicht op haar; en als deze een tijd lang in die positie zijn geweest, worden zij door een paar andere mannetjes vervangen.67