← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 63 — GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Bij de Visschen kan men zich alleen vergewissen omtrent de verhoudingsgetallen der seksen door ze in volwassen of bijna volwassen staat te vangen; en het is zeer moeilijk tot eenig juist besluit te komen.63 Onvruchtbare wijfjes kunnen gemakkelijk bij vergissing voor mannetjes worden gehouden, zooals de heer Günther mij opmerkte ten opzichte van de forel. Bij sommige soorten gelooft men, dat de mannetjes sterven, spoedig nadat zij de eieren hebben bevrucht. Bij vele soorten zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, zoodat een groot aantal mannetjes zou ontsnappen uit het zelfde net waarmede de wijfjes werden gevangen. De heer Carbonnier64, die bijzonder acht heeft geslagen op de natuurlijke geschiedenis van den snoek (Esox Lucius) getuigt, dat vele mannetjes, ten gevolge hunner geringe grootte, door de grootere wijfjes worden verslonden; en hij gelooft, dat de mannetjes van bijna alle visschen wegens de zelfde oorzaak aan grooter gevaar zijn blootgesteld dan de wijfjes. Toch schijnen in de weinige gevallen waarin de verhoudingsgetallen werkelijk zijn waargenomen, de mannetjes in groote overmaat voorhanden te zijn. Zoo zegt de heer R. Buist, de superintendent van de Stormontfieldsche proeven, dat in 1865 van de 70 zalmen die het eerst aan land werden gebracht met het doel er de kuit van te verkrijgen, meer dan 60 mannetjes waren. In 1867 „vestigt hij de aandacht nogmaals op de groote wanverhouding tusschen de mannetjes en wijfjes. Wij hadden in den aanvang ten minste tien mannetjes tegen één wijfje.” Later werden genoeg wijfjes gevangen om kuit te verkrijgen. Hij voegt er bij: „wegens het naar verhouding groot aantal mannetjes vechten en razen zij voortdurend met elkander op de plaatsen waar kuit wordt geschoten.”65 Van deze wanverhouding kan men zich ongetwijfeld voor een deel rekenschap geven, doordat de mannetjes vroeger de rivier opzwemmen dan de wijfjes; maar of men haar daardoor geheel kan verklaren, is zeer twijfelachtig. De heer F. Buckland merkt omtrent de forel op, „dat het een merkwaardig feit is, dat de mannetjes zooveel talrijker zijn dan de wijfjes.” Als de eerste visschen zich in het net verwarden, gebeurde het zonder uitzondering, dat men minstens zeven of acht mannetjes tegen één wijfje gevangen vond. Ik kan dit niet volkomen verklaren; òf de mannetjes zijn talrijker dan de wijfjes, òf de laatste zoeken zich liever te beveiligen door zich te verbergen, dan door te vluchten. Hij voegt er daarna bij, dat men door zorgvuldig langs de oevers te zoeken een voldoende aantal wijfjes kan vinden om kuit te verkrijgen.66 De heer H. Lee meldt mij, dat van 212 forellen met dit doel in Lord Portsmouth’s park gevangen, 150 mannetjes en 62 wijfjes waren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings