Note 41 — GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Bij de Hoenderrassen schijnt de overerving van verschillende kenmerken door ééne sekse of door beide seksen over het algemeen te worden bepaald door het tijdperk waarop die kenmerken zich ontwikkelden. Zoo verschilt het volwassen mannetje bij al de vele rassen waarbij hij sterk in kleur van het wijfje en van de volwassen mannelijke stamsoort afwijkt, ook van het jonge mannetje, zoodat de nieuw verkregen kenmerken op een vrij laat levenstijdperk moeten zijn verschenen. Bij de meeste rassen daarentegen bij welke de seksen op elkander gelijken, zijn de jongen op bijna de zelfde wijze gekleurd als hun ouders, en dit maakt het waarschijnlijk, dat hun kenmerken zich de eerste maal op jeugdigen leeftijd hebben vertoond. Wij hebben voorbeelden van dit feit bij alle zwarte en witte rassen, bij welke de jongen en ouden van beiderlei sekse op elkander gelijken; en men kan niet beweren, dat er in een zwart of wit gevederte iets bijzonders is, dat tot de overplanting daarvan op beide seksen aanleiding geeft; want van vele natuurlijke soorten zijn alleen de mannetjes zwart of wit, terwijl de wijfjes geheel anders zijn gekleurd. Bij de zoogenaamde koekoeksveêrige onder-rassen van het hoen, waarbij de vederen met overdwarse zwarte strepen geteekend zijn, zijn beide seksen en de kuikens op bijna de zelfde wijze gekleurd. Het gegaloneerde gevederte van het Bantam-hoen is het zelfde bij beide seksen, en bij de kuikens hebben de vederen zwarte punten, hetgeen een groote toenadering tot galoneering vormt. Hamburger Pellen maken echter een gedeeltelijke uitzondering; want de beide seksen, hoewel niet geheel gelijk, gelijken veel meer op elkander dan de seksen van de oorspronkelijke stamsoort; toch verkrijgen zij hun eigenaardig gevederte laat in het leven, want de kuikens hebben duidelijk overdwars gestreepte veêren. Laten wij thans tot andere kenmerken dan de kleur overgaan; alleen de mannetjes van de wilde stamsoort en van de meeste tamme rassen bezitten een redelijk wel ontwikkelden kam; maar bij de jongen van het Spaansche hoen ontwikkelt deze zich sterk op zeer jongen leeftijd, en klaarblijkelijk ten gevolge daarvan is hij bij de volwassen wijfjes buitengewoon groot. Bij de Vechthoenders ontwikkelt zich de strijdlustigheid op een verwonderlijk jongen leeftijd, waarvan merkwaardige bewijzen kunnen worden gegeven; en dit kenmerk wordt op beide seksen overgeplant, zoodat de hennen, wegens haar bijzonder groote strijdlustigheid, tegenwoordig algemeen in afgescheiden hokken ten toon worden gesteld. Bij de Kuifhoenders ontwikkelt zich het beenige uitsteeksel op den schedel, dat de kuif draagt, gedeeltelijk zelfs vóór de kuikens uit het ei zijn gekomen, en de kuif zelve begint spoedig te groeien, hoewel in het eerst langzaam41; en bij dit ras kenmerken een groote beenige knobbel op den schedel en een ontzaglijke kuif de volwassenen van beiderlei sekse.