Note 31 — GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Er is ééne moeielijke vraag die het gepast zal zijn tot een volgend hoofdstuk uit te stellen; namelijk, of een kenmerk dat eerst bij beide seksen was ontwikkeld, door teeltkeus in zijn ontwikkeling alleen tot ééne sekse kan worden beperkt. Indien bij voorbeeld een duivenfokker opmerkte, dat sommige van zijn duiven (bij welke soort de kenmerken gewoonlijk in gelijke mate op beide seksen worden overgeplant) door een bleekblauwe kleur van de overige afweken, zou hij dan door lang voortgezette teeltkeus een ras kunnen vormen, bij hetwelk alleen de mannetjes die kleur vertoonden, terwijl de wijfjes onveranderd bleven? Ik zal hier alleen zeggen, dat dit, hoewel misschien niet onmogelijk, uiterst moeielijk zou zijn; want het natuurlijk gevolg van het fokken uit bleekblauwe mannetjes zou wezen om den geheelen stam, de eene sekse zoowel als de andere, die kleur te doen verkrijgen. Als zich echter variaties vertoonden, die de vereischte kleur bezaten, en deze van den beginne af in haar ontwikkeling tot de mannelijke sekse waren beperkt, zou het in het minst niet moeielijk zijn om een ras te vormen, dat door de verschillende kleur der beide seksen was gekenmerkt, zooals inderdaad is geschied met een Belgisch ras, bij hetwelk alleen de mannetjes zwarte strepen vertoonen. Op dergelijke wijze zou het, indien zich de eene of andere variatie voordeed in een vrouwelijke duif, die van den beginne af in haar ontwikkeling tot die sekse was beperkt, gemakkelijk zijn om een ras te vormen, bij hetwelk alleen de wijfjes dat kenmerk vertoonden; maar als de variatie oorspronkelijk niet op die wijze was beperkt, zou zulks een zeer moeielijk, wellicht onmogelijk werk zijn.31