Note 16 — GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Wij komen er nu van zelf toe om te onderzoeken, waarom het mannetje in zoo vele en zoo sterk verschillende gevallen vuriger is geworden dan het wijfje, zoodat hij haar zoekt en bij de vrijage de bedrijvigste rol speelt. Er zou geen voordeel en zelfs eenig krachtverlies in zijn gelegen, als beide seksen elkander wederkeerig moesten zoeken; maar waarom moet het altijd het mannetje zijn dat zoekt? Bij planten moeten de eitjes na de bevruchting een tijd lang worden gevoed; vandaar moet het stuifmeel noodzakelijk naar de vrouwelijke organen gevoerd en door de tusschenkomst van insekten of van den wind of door de spontane bewegingen der meeldraden, en bij de Algen enz. door het bewegingsvermogen der antherozoïden op den stempel worden gebracht (2). Bij laag georganiseerde dieren die voortdurend op de zelfde plaats bevestigd blijven en gescheiden seksen bezitten, wordt steeds het mannelijk element naar het vrouwelijke gebracht, en wij kunnen de reden daarvan inzien; want de eieren kunnen, zelfs als zij vóór de bevruchting worden losgemaakt en geen latere voeding en bescherming vereischen, wegens hun betrekkelijk aanzienlijker grootte minder gemakkelijk worden verplaatst dan het mannelijk element. Vandaar komen de planten16 en vele lagere dieren in dit opzicht overeen. Daar de mannetjes van vastzittende dieren er dus toe zijn gekomen om hun bevruchtend element uit te werpen, is het natuurlijk, dat eenige hunner nakomelingen, die hooger klommen op de ladder en het vermogen verkregen om van plaats te veranderen, de zelfde gewoonte moesten behouden en dicht tot het wijfje moesten naderen, opdat het bevruchtende element het gevaar niet zou loopen van een langen weg door het zeewater af te leggen. Bij eenige weinige der lagere dieren zijn alleen de wijfjes vastzittend en bij deze moet het mannetje haar zoeken. Wat de vormen aangaat, wier voorouders geen vastzittende dieren waren, is het moeilijk te begrijpen, waarom het altijd de mannetjes moesten zijn, die de gewoonte verkregen om naar de wijfjes toe te komen, in plaats dat deze laatste naar hen toe kwamen. In alle gevallen echter zou het, opdat de mannetjes met goed gevolg zouden zoeken, noodzakelijk zijn, dat zij met sterke hartstochten waren begiftigd; en het verkrijgen van dergelijke hartstochten moest daaruit volgen, dat de vurigste mannetjes meer nakomelingen nalieten dan de minder vurige.