← Table of contents
Dante en Beatrice, en andere verzen

DES LEEVENS KERN.

Reading edition

Des Leevens Kern.

Zooals de kleuren nu mijn hart opbeuren deeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd, en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeuren heeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd. Het Leeven spreekt nu met een klare stem. Als 't carrillon des morgens van een tooren, dreunt mij, die opziet, wislijk en met klem de blijde noodzaak van elk ding in d'ooren. Elk lijden waan, zonder bestand noch duur, elk pijntje⁀een wenk en richtvonk onzer weegen, de waan een toornwolk rond Gods liefdevuur hoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen. En God geen ding, geen kracht, maar vriend en vader digt bij mij, digt, den dag, den nacht—den nacht, liever dan 't liefst en dan het naaste nader, de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht. Nu zie ik weer geranium en linde met 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakt en zee en duin, die ik als kind zóó minde mijn manlijk hart met voller vreugde raakt. Ai, laat mijn blik verzwakken, 't lijf verouden! wanneer herinnren faalt en denkkracht dooft heb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden, dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft. Wie zou 'k nog haten, schoonheid is in allen, 'k zie gansch den nacht niet om één vonkske licht en waar een hart zich ópdoet, moet ook vallen mijn liefdevloed, door eigen wigt gericht. Het lust mij wat ik heb aan glans te spreiden, niemand moog danken, nochthans blijft de lust, om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden, ik ken het zoete werk om zoeter rust. Dat komt dewijl ik in een blind vertrouwen d'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht, geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwen die zich ontvouwen voor het reegenvocht. Dit's ál, onrust'ge, die mij mocht benijden, geen meerder weetenschap en doet u nood: blijf 's Leevens kern betrouwen—en de Dood met àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden.

Koele Mei-dag.

De blindend-blanke hagelwolken drijven trotsch en geducht aan 't hardblaauw firmament en dreigen met hun schaduw te verstijven de schuchtre kindren van de jonge lent. Van 't koele Noord varen ze stom en prachtig, gekuifde sneeuwkop booven grauwen buik, door den van toorn gebolden stoet onmachtig groet lieve zon de beidende⁀aard tersluik. Toch drijft, niet-kleumsch, de beuk haar bleeke loover ten twijgen uit, de tulpbloem flonkert koen, de berk in 't sparbosch sprinkelt zich àl oover met tintellooverkes van teeder groen. De koekoek roept getrouw het voorjaar uit, de mei houdt vol, bestendig langs de dreeven schalt nachtegalenslag en lijsterfluit, en alom zeegeviert het lichte leeven.

De schat mijns harten.

Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte, Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem, Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteens Wisslend geflonker. Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst? Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven? Hoe heeft vóór allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken 't Nameloos wonder?! ............................................................. ............................................................. Het is mijn ster, het is de sterke liefde, die niemand kan verstaan en niemand ziet, die alom heerscht, die al vertroost wat griefde, die stralend schoon uit alle dingen schiet. Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt, die zacht als water door geen kracht bezwijkt, den Satan slaat en voor demoonen veiligt, die immer buigend booven bergen reikt. Haar glans ging òp toen ik geen vreugd meer vragend in duldsaam beeven uitzag in den nacht, toen heeft zij, mij in Liefstes oogen dagend, beweezen haar onnoemelijke macht, Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen, spijt aller schijndeugd, spot of hindernis, daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragen en zacht voor Liefde's kindren is. ............................................................. ............................................................. Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte, Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens, Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer, eeuwig waarachtig. Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken, d'armen strek ik der zee toe: "wéét ge het? wéét ge het?" Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weent voelend verlossing.

Het looverlied.

Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaan van groote boomen die in duister staan, weer naar hun machtig nachtgezang te luistren hun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren. In langen winter zongen barre twijgen een ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgen was angstig in den Januari-mist.— Maar 't loover kwam toch weer—en hoor nu is 't als een gelukkig volk dat zeegezingt. Nu juicht het gansche lenteland, er klinkt fijn geschalmei van voogels in de verte— zoo fijn en klaar als 't tintelend gesternte dat door de zwarte bladerschimmen kijkt en met haar vaag beweegen komt en wijkt. Ik ga door looverlied en sterreschijn blij en gerust. Ook in mijn kleine brein worden nu teedre liedekens gebooren die 'k liefst mijn teeder lief wou laten hooren. De wind die 't nachtland als een harpe streelt in maatgang met mijn stille liedjens speelt. Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huis het looverlied verstaat en 't zeegeruisch— zal ik dan niet in sterker lijf herbooren den juubelzang der gouden sterren hooren?

Alles voor U.

Alles voor U,—wie is er nog betrouwbaar dan Hij die 't licht en de gesternten maakt, van wien al wat er tastbaar heet en schouwbaar, al wat ons lijf beroert en raakt is enkel een gedachte⁀en teere droom? De breede zee met witbeschuimden zoom, zilv'rig beglansd door vluchtige lichten, 't kantig gebergt, gloedrood in zonnevonken, wat zijn ze, dan Uw droomgedichten?— Gij denkt hem éve' en eeuwig pronken de groote maaksels voor der schepslen oog. Het vaste veld, de luchte wolkenboog, Gij denkt, gij zingt zë,—als een blijde knaap des morgens gaand langs glinsterende bronnen zijn zangen zingt, gelukkig na den slaap,— zoo zingt Gij waerelden en zonnen, schrijdend langs schitterenden leevensvloed, door U geleid, ontvangen en gevoed.— Alles voor U,—gij mijn getrouwe God, nu weet ik wèl waarom Gij mij deed vinden begrijp zoo luttel, zooveel haat en spot, zoo weinig vrinden en zooveel verblinden— 't Was dat mijn hart, verbijsterd, keeren zou tot U alleen, bron van begrijp en trouw. Al wat ik nog aan lieven en aan leeven te geeven heb, 't is al, 't is al voor U, maar om Uw lieven wille kan ik geeven den menschen méér aan liefde, dan tot nú— Schoon zij mij al niet danken of verstaan te lieflijker glanst mij Uw glimlach aan. Hier is mijn hart,—ze noemden het ontrouw, het was zoo wispeltuurig en zoo grillig, verlatend vrind voor vrind en vrouw voor vrouw, toch is 't standvastig en gewillig. 't Zwierf als een schaap van weide op weide verder, volgend het roepen van onzichtbren herder. Als een wit vlinderken ging 't welgemoed in zachte fladdervlucht door donker dal, en zocht met vagen schijn een stellig goed: Uw licht, Uw zoetheid ooveral,— totdat het door de sombre denne-stammen, den vrijen, hoogen heemel weer zag vlammen. Hier zijn mijn oogen,—ach, zoo blind! zoo blind! Voor zooveel vondsten hebben ze geglansd, als die van 't kind, dat eenen glasscherf vindt en roept: "een diamant!" en danst in 't rond, de vingertjes aan bloed gesneeden.— Hier is mijn stem,—die om zoo kleine reeden geweeklaagd heeft, door vrees en twijfel zwak. Zij deed de menschen luisteren en weenen, totdat zij steeg en sterker klanken sprak.... toen heeft zij onoprecht gescheenen,—.... Vader! voor wien geen kunst noch liegen baat, neem Gij haar aan in haar oprechten staat. Neem alle sieraad met uw zuivre handen, al wat er uitblonk van mijn weezen af, op úw altaar mag door úw vuur verbranden al wat mij trots en aanzien gaf. Ik wil niet zooveel beeter zijn dan andren— maar liever digt-bij in uw schaduw wandlen. Voor U mijn naam, mijn eer, mijn kunst, mijn deugden, ik begeer niets dan wat Gij stil hergeeft— Maar leer mijn zinnen, die mij zóó verheugden, hoe Gij, in al wat zij ontwaren, leeft. Hoe ik mijn Liefste⁀om U alleen bemin, en hoe al 't schoone sluit uw schoonheid in.

De Staf.

Onrust en donker alomme, Bang als een doove-en-stomme, tastend als blind ga ik omme— Waar is mijn staf? Ik lijd en moet veelen verdrieten, ik geniet ook en doe wel genieten, maar alle vreugd zie ik vlieten in een graf.— Ik weet wat alleenig mij rust geeft, wat mijn angsten gesust heeft, als 't kind dat moeder gekust heeft vóór den nacht. Dit is mijn staf—dat alle dingen zijn gedachten van een dierbaar, minnend Weezen gansch wáár, maar anders dan hun schijn. Weet ik dat goed—weg zijn mijn vreezen. Dan glijdt de vracht van dat onrustige van mij af. Dan voelt de blinde weer zijn staf Dat is de kus die moeder gaf aan 't kindekijn. Maar vergeet ik het éven, dan heeft mijn staf mij begeeven. Wáár, wáár is hij gevallen? Niemand weet het van u allen, Geen één, geen één, en ik sta weer weifelend en alleen, bedenkend hoe toch alles vliet in het niet. Mocht ik een Godsgaaf bedingen— ik vroeg sterke herinneringen omtrent eeuwige dingen.

Aan de Groote Dichters.

Blijft ons nabij, hoogtroonende getuigen des Leevens, waar ons machteloos geslacht geen zweem van kent, opdat ons niet te buigen vermoog' hun laag gedacht'. Kaats ons den schijn, als gouden looverhoofden welvend uit diepten van een somber woud, den schijn dier zon, waarin wij nóg geloofden in schaduw droef en koud. Hard drukt de last der schoonheidlooze dagen, niet d'onze, maar der broederen rondom, die ons bestaan door eigen derving dragen, 't lijf der gerechten krom. In zorgen gaan wij, Blijden van natuure, Zangers voor God, van Schoonheid en Geluk,— dat dan niet tot versterf van 't Hoogste duure des meededoogens druk! Richt óp ons hoofd, als gloedrood in den morgen de zonbeglansde toppen van 't gebergt', ontlokt ons schouwen aan de kleine zorgen waarmee de waereld tergt. Wat gij doorleefde in voeling onuitspreekbaar, geen werk der waereld schoort het of genaakt de hoogten waar voor altijd en onbreekbaar uw ziel haar woonstee maakt. Bóoven de kwaal en de armoe onzer tijden, bóoven 't gevecht om ruimte⁀en 't zwoegen om brood, leert gij ons kalm op weidsche weegen schrijden in weelden sterk en groot. De waereld is een droom u, één uit velen, en niet de schoonste,—de verklankte schijn, 't verzinlijkt beeld blijft u toch vèr verscheelen van 't ongelijkbaar zijn. Maar juist door macht dier zeldsame genade te kennen 't Licht waartoe ons oog niet reikt, kleedt gij in wondre⁀en óoverschoone wade al wat op aarde prijkt. d'Oogappels groot en donker op de vonken van Gods verborgen wonderen gericht hebt gij 't klein leeven rondom u geschonken een rijkdom lief en licht. Zoo gaaft gij, die mijn vriend zijt en gezelle, schoon gansch verteerd in uw Godsliefdebrand, juist door dat vuur een luister hoog en helle aan 't heerlijk Vlaanderland. Maar Goethe wist ook, dat waar twee zich vinden in 't kamerkijn, de waereld breed en wijd voor hunner liefde gloorie kan verzwinden met al haar heerlijkheid. En voor een gouden woord van Dante's lippen een juubel-klinken uit Hebreeër-psalm zien we⁀al ons bangelijk getob verglippen als spook voor klokkengalm. Maar wee den dichter die niet staag blijft weeten dat van Godsliefde alleen zijn dichtmacht stamt, hij wordt bij 't stemloos volk teruggesmeeten midde⁀in zijn kracht verlamd. Blijft ons nabij dan, dat wij niet vergeeten de rechte waarde⁀en zin van wat bestaat en wij wat van den heemel is niet meeten naar menschenmaat.

Shelley's Epipsychidion.

Een vuurstorm van vervoerende gedachten een woord vol flonkerende majesteit verlicht opnieuw de scheemring mijner nachten en breekt des leevens vale eenvormigheid. Waar is een tweede woord als dit ontvaren aan menschenmond, in al der menschheid jaren? Dit is geen teeder lied van liefde en leed, dit is geen mijmerende klacht van minne, het is een donderende vrijheidskreet en houdt het helderst vuur van wijsheid inne dat ziedend in der menschheid boezem lag en losbreekt met verbijsterenden slag. Haar klank is uit geweldige geruchten van donder, zee en stormen saamgesteld, haar vaart is 't waarmee wolkendriften vluchten, waarmee een meteoor den nacht doorsnelt, haar opgang stijgt in ijlste ziele-luchten, haar macht is meer dan àl wat menschen duchten. Het is een fonkelende lans gedreeven recht in den muil van goor en donker beest dat 't schrikbevangen menschenhart doet beeven maar machtloos deinst als 't niet meer wordt gevreesd. De grimm'ge schimmen Waan en Dood vervagen waar heldenvoet den eersten stap dorst wagen. Het is een eenzaam, arendsjong, dat schouwend in peilloos blauw, de stramme vlerken rekt en eindlijk, innerlijken drang betrouwend, den greet'gen hals ver van den rotskant strekt en stort zich vreesloos in de ruime sfeeren om d'eigen nooit-beproefde macht te leeren. Ik spreek in koel bezinnen, noode drijft heilige waarheid wel-betoomde woorden tot koener vlucht, want deeze schoonheid blijft der bliksemschichten helste, die doorboorden wat als een somber neeveldek bezwaart 't zwoel-broeyend menschenleeven deezer aard. Het is alsof een volk verworpen slaven roerloos gekneeveld ligt op donker land, het lijf omschalmd, 't gelaat in stof begraven terwijl een vaal gewolk de lucht bespant— maar één verrijst en doet door machtig wringen met luiden klank de bloed'ge boeyen springen. Het ijzer valt, hij staat rechtop gericht, en als een gloed-fontein met duizend kleuren maakt zijn geroep den veegen heemel licht en doet de vlam zijns woords den scheemer scheuren, 't verworpen volk blijft stil en geeft geen teeken, maar d'englen aan de hellepoort verbleeken. Gij armen, die niets hoordet, niets begrijpt gevoelloos in uw dof bestaan verlooren, weet dat de vrucht der vrijheid is gerijpt. Uit aardsche liefde is 't heemelsch kind gebooren dat van uw doodsch geslacht den boei kan slaken en uw verdoofde blikken glanzend maken. Want niets heeft er vermoogen dan de Geest. Zij sprak van Glans en Schoonheid, onvernoomen door wie nog kruipen, siddrend voor het beest. Doch wat haar bliks'mend wilswoord schiep, zal koomen. Haar zeegen werkt, haar opvaart duldt geen kluister, haar vrijheid daagt in nooit-vermoeden luister.

Stem van Génerzijds.

Het was zoo licht toen ik moest scheiden de spreeuwen kweelden luide en teer, en een onnoemelijk verblijden vervulde veld en atmosfeer. Een plechtig en verblindend wonder verrees,—als waar 't voor 't eerst,—de zon, en bloem op bloem ontsloot zich onder haar zeegen, naar zij kracht gewon. De waereld scheen verbaasd te ontwaken als vond haar 't licht voor d'eerste maal. 'k Zag zwaluwen hun nestjes maken en zwieren in den morgenstraal. Ik zag de kiewiet om zijn jongen klapwieken met bezorgd gerucht— ik hoorde hoe de meerlen zongen hun welkom in de luuwe lucht. De wind bestreek de fonkel-vlieten, de golfjes plapperden in 't lisch, 't ging al van 't zoete licht genieten en blonk van dauw en ruischte frisch.— Ik was niet angstig om te sterven, maar 't zag zoo luisterrijk op aard, als had al 't schoon, dat ik ging derven, zich in één uiterst uur vergaard. Genooten goed, dat ging begeeven, had ik u wel genoeg bemind? Verheeven weelden van het leeven nam ik u dankbaar, als een kind? Wist ik mijn korte leevenswijding te vieren als een heilig feest? Is mij 't ontwaren tot verblijding, 't bepeinzen tot een lust geweest? Als vaagde ik zwarte spinneraggen van oud en kostbaar schilderij, zag 'k onontgonnen vreugden lachen voor 't eerst van duistre spinsels vrij.— O angst, o waan, o booze krankte der menschen, die ons elk besmet, die den hartstochtelijken dank te bewijzen onzen God, ons let, die ons doet weifelen en doet ijzen en wroegen, klaaglijk en bedrukt, waar 't leeuw'rikje' in zijn luchtpaleizen omhoogvaart, juub'lend en verrukt.— Hoor gij, die nog in 't licht moogt woonen, dit woord uit 't eeuwig droomrijk aan: "verdrijf die schimmige demoonen" "die voor Gods lieflijk aanzicht staan!" "Hard drukt de spijt om noodloos lijden," "Om gloorie, door een waan gemist"..... De⁀aard was zoo licht, toen ik moest scheiden, en zooveel schooner dan ik wist.—

Een Minnezang.

Vraagt ge mij zangen?—Maar wie maakte mijn leeven tot een harmonisch lied? Weinigen die de melodiëen er van verstaan, Maar gij toch wel? Als ik aan u denk, denk ik aan de leeuw'rik de leeuwrik die des nachts zingt onder de sterren, alleen tusschen de zwarte, stille wolken, gansch alleen booven de duistere aarde,— de maan sluit slaaprig 't oog aan de kimme— hij waakt en zingt. Als ik aan u denk zingen zóó mijn gedachten, de duistere aarde luistert niet. Wie heeft mij de troost gebracht en de verzoening toen ik mat was van strijden, niet verslagen maar duldend zonder vreugde? Wie heeft mijn wintersche dagen verkeerd in luuwte? Wie heeft mij liefde doen kennen zonder bitterheid? Wie heeft mijn blijdschap hersteld? Gij weet hoe zwaar het is God te gedenken in alle donkere gangen des leevens. Maar door u heb ik Hem niet vergeeten. Verlangt ge nog meer? Verzoenster! met u vond ik de zee de groote zee des vreedes— en in de verre heemelen van rust heb ik gestaard, zij het maar éven. En mijn deemoed is ontbloeid naast de uwe, en mijn getrouwheid is door de uwe gebooren, en uw geduld is het mijne geworden onder den zeegen uwer liefde. Uwe oprechte oogen volgden al mijn beweegen en hebben mijn hart en handen verlicht— en de trage nevelen zijn opgeklaard van mijn voorhoofd. Welk heerlijk wonder als de vlagen staken, als het gedonder der stormen ophoudt en de koude reegen niet meer striemt, als de zon door langsaam verzwindende wolken warmte zendt op het verstilde loof, als dan de reegenzware halmen zich rechten, en de eerste voogelstemmetjes bedeesd weerklinken, en het leeven van de ontelbare teedere weezentjes die wat vreugde zoeken op 't gras, in de lucht, in 't water, schuchterlijk hèrbegint. Ach, zoo zoet was het weeder opleeven onder den grooten zeegen uwer liefde, seedert zijn mijn dagen zangen geweest. Verlangt ge nòg meer? Neem dan deeze ordelooze stroofen, ook de leeuwrik zingt wild en zonder reegelmaat, hij breekt af en herhaalt en herhaalt, als door àl te machtigen aandrang van zijn innigheid.

In Memoriam.

Zoo werd u 't wigt der kommervolle dagen ten lest te zwaar en naamt ge, t'enden raad, uw daadkracht saam tot éénen wanhoopsdaad, de pijlers breekend die niet konden schragen— zachte, bescheiden broeder! teedre vrind! te vroeg gebooren kind van beeter tijden, waarin der menschen vluchtige uuren glijden met ligter gang, en elk zijn bloeitijd vindt,— zoon van een volk van blijde, wijze kind'ren, die in bedachtsaam en gerust bestaan, met fijnen glimlach zien Gods wond'ren aan en niemand in zijn lucht gepeins verhind'ren. Bestemd voor zulk een waereld, zulke volken, waar men den nooit-gezienen groet als vrind en d'eigen ziel in elk weerspiegeld vindt— werd gij geworpen in de neevelkolken van dit verbijsterd en mislukt geslacht, van deeze warre tijden. Blij en goedig stonden uw oogen in 't begin en moedig toogt ge ten strijd met al uw kracht. Maar ach! hier geldt niet eedelmoed, noch fijnheid van geest, noch loyauteit, noch zwier, noch eer, 't hoogst-streevend hart ligt allereerst ter neer, ter sluik gemoord door onbespeurbre kleinheid, want als een giftdamp vol miasmen, smoort den eedlen geest het kleine, lage leeven der duizenden, wien schoonheid is om 't eeven, die spotten om oprecht en innig woord. Meedoogenloos door 't strenge lot gebannen, verweerloos, arme broeder! tot dien strijd, beklom u 't weeten uwer machtloosheid telken dag weer, met telkens weer vermannen. Gij voelde 't als een monster, valsch en wreed, door zwaardslag en verwonding onverstoorbaar, gestadig nader, schaduwig, onhoorbaar, bekruipen uw arm lichaam, nat van zweet. Doch strijden moest ge⁀of sterven! Niet gedoogd' uw diep gevoelig hart de koele rust des wèl-voldanen, die van veil'ge kust naar storm-geslagen schepelingen oogt. Als een die oogenlid-loos en gebonden naar 't hachelijk worst'len van zijn landsvolk staart, niet wenden kan het hoofd, noch heffen 't zwaard, noch stelpen 't bloed of reinigen de wonden— Zooals een die in droom zijn huis in vlam ziet en in doodsgevaar zijn vrouw en kind'ren maar kan het schrik'lijk onheil niet verhind'ren, de stem verstikt, aan alle leeden lam— Zoo liet der waereld vale, vage nood u niet meer toe te waken of te slapen— gij kondt niet stillen 't wee, noch beuren 't wapen— wat bleef er uitkomst als de dood? Dit is geen tijd voor teed'ren,—als de wagen van Jaggernaut verplet hen 's Leevens wigt,— toen hebt ge op 't eigen hooploos hart gericht 't onnutte wapen, te zwaar om te dragen. Was 't misdrijf?—Duister is Gods raad ons armen, ons innigst geeven wordt het ruuwst geknot, rondom is argwaan, weifeling en spot,— zou Hij zich des oprechten niet erbarmen, die streedt tot 't einde van zijn kracht, en viel? En wie van ons, bedreigden, durft het wraken zoo gij geen andre doortocht wist te maken voor uw bemoeyelijkte ziel? De dag dringt in mij met dezelfde pijnen als die u folterden,—zoo ik nog sta, ik noem 't geen kracht, ik noem het maar genâ, zou mij uw val dan zwakheid schijnen? Toen kwam er rust,—de rustelooze wind suist eeuwig voort door 't glanzig helm der duinen, waar digtbij zee, aan Holland's groene tuinen, uw lijf zijn zonn'ge ligstee vind. Zoo droome uw losgemaakte ziel in vreede van 't schoone en goede wat ge vondt en deedt, en van ons die u minden.— Zacht betreed ik nu met stillen dank de vreed'ge steede.

Zelf-Schouw.

Mijn blanke dwaal-ster zie ik staan in donkerblauwe⁀omnachting— op dorp en duinland schijnt de maan— in mijn bevreedigd hart vangt aan een diepe zelf-betrachting. Ik ben wel een gezeegend wicht, doch weet dat niet gestadig,— maar als ik stil mijn aandacht richt op 't innig zelf, komt steeds het Licht en wijst het mij genadig. Geslingerd ben ik her en der, gedoold heb ik vervaarlijk— doch schijnt mij mijn verheeven Ster na elk verdwalen minder ver en 't leeven min bezwaarlijk. Een kleine en altijd heldre bron van glinsterende blijheid, verberg ik diep, en nooit verwon mij 't leed, als ik maar woonen kon, gerust, in haar nabijheid. Doch 't wilde leeven lokt mij uit— dan kamp en lijd ik deerlijk,— tot ik weer hoor haar zacht geluid en als een bruidegom zijn bruid haar wéérvind, schoon en heerlijk. Mijn arme lichaam, teer en broos, doe ik mij wèl serveeren.— tot ik het eenmaal, leeg en voos, te rust zal leggen voor altoos, als afgedragen kleeren. Mijn hart behoudt geen spijt of nijd, 't zoekt ook zijn lust niet grillig.— Door onbesuisde teederheid heeft het wel veelen leed bereid, doch griefde 't niemand willig. Mijn weezen heeft een tragen gang 't wil tijd, zich te bezinnen, 't vreest pijn te doen en mijmert lang, maar vaart dan plotsling uit, nooit bang iets hachlijks te beginnen. Waarheid is mij, wat 't kindekijn de borsten zijn die 't voeden, doch weetend dat zij schoon moet zijn, vergrijp ik mij aan schoonen schijn vaak tot mijn handen bloeden. En onontmoedigd, weederom zoek ik wat goed en eerzaam aan elk is, wien ik teegenkom— want hoezeer onbesuisd en dom, toch ben ik niet onleerzaam. Ik acht mij maar een kleine man, bedeesd en zwak van krachten,— doch welke macht ter waereld kan verslaan wie stijgt op vleuglen van zijn godlijke gedachten? 't Liefst ging ik als een zorgloos kind aan vaders hand door 't leeven. Doch hoe, zoo 'k hier geen vader vind, zoo wijs, zoo sterk, zoo hoog-gezind, om hem vertrouwelijk en blind mijn kinderhand te geven? Toen moest ik wel, met zware dracht, den schijnbren hoogmoed dragen, alleenstaand met begrip en klacht,— en aan de sterren van den nacht om eenen Vader vragen. Mijn eigen, echte makelij doet veelen zich bedriegen, ze noemen 't spel en hoovaardij, en als ik eerlijk spreek en blij dan heeten ze 't me liegen. Ik word geliefd, ik word gehaat,— noch Eer is 't, noch Beschaming,— want wie mijn weezen niet verstaat, hij raakt mij niet, maar mint of smaadt een pop, met mijn benaming. Mijn Vader maakte mij gewis aldus, opdat ik leere hoe ijl der menschen oordeel is, en ik mij van hun ergernis tot Zijn vertroosting keere.

Julius Oldach.

Wohl nicht umsonst trägt Frau Germania so stolz die Krone und so hoch den Busen, errang sie doch den Ehrenpreis der Musen für Poësie und Musika.— Jedoch es schien gar Manchem unterdessen als hätte längst Sankt Lukas sie vergessen. Sie schenkte einem Dichter oder Gleichen ein weihe-volles Leben ohne Schmach, und es umspült der göttlich klare Bach, der Seelen Labsal, ihre Eichen. Doch stand es schlimmer mit der Kunst der Farben, nun ja! die Reiche soll doch auch mal darben. Es brüstet sich zwar mancher Genius den Holbein und den Dürer zu ersetzen, doch giebt die ferne Nachwelt einen Fetzen für Kaulbach und Cornelius? Da giebt's viel Tuch, viel Akten, und Gewänder— doch flüstert man: "es bleibt nur Oberländer". Das neid'sche Schicksal, eifrig zu enttronen wo es zu viel des Ruhmesstolzes fand, nam Ihr, der Hohen, theilweis den Verstand, sodass die biederen Teutonen den Bismarck hundertmal in Erze giessen, und Julius Oldach arm krepiren liessen. Der Bäckerssohn mit festem Feuerblick, er hat gemalt wie die von Gott erhellten und seiner Seele ungeheure Welten gedrängt auf tellergrosses Stück. Doch hat's die Deutschen Herzen nicht erwärmt, es hiess: "der Arme hab' sich todgehärmt". Nicht doch!—es hat kein Mensch noch so volkommen gesiegt wie er, in Kämpfen fürchterlich. Wer war's der an Verwegenheit ihm glich und siegreich ist davongekommen? Und 's nimmt doch alles sich gar kleinlich aus. Der hehre Geist wählt sich ein enges Haus. Nach tausend Jahr und abertausend Jahren da wird wohl mancher Schüler kaum noch rathen was Zieten, Blücher, Roon und Moltke thaten, ob's Krieger oder Krämer waren.... doch schmählich wird die blinde Welt genannt die Oldach ein Jahrhundert lang verkannt.

De Klok[1].

Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.— Omlaag in de glinstrende gangen der stad dwar'lden in vuurigen zwerm de lichtjes. Peillooze nacht toefde in den heemel bij flauwe, deinzende sterren. Posuït me in tenebris—... Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte... Ver beneeden raasde de storm van Londen, de ondiepe storm onzes leevens onder afgronden van eeuwige stilte. ...et in umbra, mortis. In de donkre tooren hing de klok en wachtte. Onder de klok, elk in zijne steede, sliepen de strenge dooden. In tenebris stravi lectulum.... Eén voor één, onder den machtigen tooren, legden de leevenden hen. Maar hun warm leeven slaapt met hen, inniger dan wie gehuwd zijn, leeven dat voortgaat in sluimer, leeven dat nimmer staakt, noch onderbreeking kent. ...et in polvere dormiam. De klok omhoog toefde booven de stad. Toen, te middernacht, hoorde de wachter beneeden in de donk're klok beslooten stemmen fluistren, hoorbaar alleen voor hem, wachter te middernacht. Spooken van klank bewoogen in de ijzeren stilte. Cor meum conturbatum est—.... Dood—en de wolven van Vrees waarden in 't duister. Spooken van klank, gevangen binne' in de stilte, golfden rondom de klok, als in benauwen: "verlos ons, o gij die toeft!" "Doe ons reeg'nen rondom, verspreid ons als hagel van vrees," "Hoor! gij achtlooze stad, dronken van leeven!" "Hoort! gij leevende zielen," "hoort! gij zielen van wie er moog waken, moog slapen" ...formido mortis cecidit super me. "Dit is de doem des Doods en géén ontkomt." "Eénzaam zal hij liggen, geen gerief zal hem naken," "de dooden zijn van hem gescheiden, en de leevenden," "Dood duldt géén gezellen." "Koud is zijn bed, hoezeer met warmte ontvangen," "zijn huisselijk bed, waar hij zóó lang sluimerde veilig." "Zie, het ontvalt hem, Dood sleept in duisteren afgrond" "langsaam zijn zwichtende vleesch." "Zijn verduisterde oogen, nooit zal meer lamp hen verlichten," "liefde beroert hem niet, deernis mag hem niet bereiken." Sicut umbra quum declinat. Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte. Onder de stilte nog drongen de spookige stemmen: "Gij in uw sluimer gewiegd door de duurende pols-slag" "van het getemperde leeven, gij die nog waakt," "hoort! het woord van den Dood:" "de gerechte sterft en ook de zondaars sterven," "Dood heeft maar één domein." —Unus introitus est omnibus ad vitam—.... "Eénder is 't einde, of gij al rust of werkt," "of gij al wijsheid zoekt, of gij al zwoegt" "jagend naar lust of macht." "Met onverschillige hand reikt de Dood ééne gave", "vult met duister het brein, de handen met stof." ...—et similis exitus. "Thans is de stonde des Doods en de stond der Geboorte." "Gij, in de duistere stad, die baart deezen nacht," "tot wat eind uw moeyelijkheid, uwe smarten?" Sic et nos nati—... "Hem baarde zijn moeder in smart, toch met blijdschap." "—Maar alles vervalt den Dood—" "hem die in smart uit dit leeven verlost wordt" ...continuo desivimus esse. "Al het geboor'ne is een prooi des Doods," Toen, in volkoomen nacht, als nauwelijks hoorbaar Londen omlaag nog maar fluisterend roerde als in sluimer, ver daarbooven, booven zijn dwalende nevels, onder de kalme sterren, plechtig en diep sprak de klok in de stilte: Pax Deï—... sprak het met God als alleen, in zeegening. Vreede allen zielen, vreede na zwoegen en drang, vreede als van hem wiens werk is voleindigd! Lof zij Goode! voor leeven en dood volbracht. Dank zij Goode! den geever, Als had een geest, bij 't ontstijgen van de aarde éven toevend, het groote zeegenwoord gesprooken, ... quae exsuperat omnem sensum. sprak het de zware klok in des middernachts diep. De machtige stem, aan de stilte zich bindend, deinde weergalmend oover d'ontzachlijke stad in lange golven van klank. Qui confidunt in Illo intelligent veritatem. Hooge konde des Doods aan het Leeven. Zooals de wind vaagt van het heemelgelaat en onder zich ophoopt tot warre gestapelde massa de gekruifde wolken, in plotslinge gloorie toonend de sterren in hoogte oover hoogte, zoo joeg de manende Dood van 't aanzicht des Leevens verstrooyend de scheemrige neevlen van 't leevende. In lumine tuo videbimus lumen. En het Leeven verrees, het klare, schoone Leeven. Toen hoorde beneeden de wachter te middernacht hoe het geluid van den Dood oover de stad hong in zeegening, het zeegende de stille dooden, de zwoegende leevenden, alle gerechte zielen. Liefdrijken en waarachtigen hoorden het in hun slaap, verborgen in donk're slaapsteeden der volle stad. Pax est electis Ejus. En vreede vervulde de diepe bronnen des harten. Ook de Geboorte zeegende het en de vreugde der moeders. Want als in tijden van oudsher, nauwlijks herinnerd, de blijde ziel van den doode weerkwam op aard, welkom, tot welkom bereid, zoo keert nu weer, na voltooying, verheldring, verblijding, welkom de dierbare ziel tot den Vader. Justorum autem animae.... Dit is de stonde des Doods en de stond der Geboorte. En hij die rouwde in wake, onder den tooren, hoorde dóór dat geluid d'ondoordringbare majestatische stilt' des begravenen Tijds. En de jaren van hem die gestorven was hoorde hij vallen als water, gestort van een schaal in de woelende, vage, vervormende zee. De getelde jaren vielen en mengden zich met 't oneindig verleeden. ....in manu Dei sunt. de klok luidde hen needer in d'Eeuwigheid. Het statig geluid des Leevens, weidsch zich verrustigend, hoorde hij en 't vloeyen aller wateren tot de woeste, onvruchtbare, eind'looze zee, en hoorde de stille wateren, gereezen uit de zee, voedend en sierend eeuwiglijk de vruchtbare aarde. en hij zag van hem die gestorven was de jaren, heimlijk, verspreid, voeden der waereld hart, Non tanget illos tormentum mortis— en floerslooze sterren opluikend om de aarde. Toen in den tooren, onder der starren schare, booven de gescepterde dooden, de leevende werkers, elk in zijn leeger van ruste, zag hij 't aanweezen eens Engels, die zeegende zorg en rust,—de Engel van Vreede onuitspreeklijk. Pax in aeternum Deï. Langsaam verstomde de klok in den luistrenden nacht.

Vrees niet.

Lieve gezicht, met uw angstige oogen, vrees niet! wat blinken uw blikken zoo bleek? Denk onzer minne geweldig vermoogen waar zooveel onrust en euvel voor week— En dàn gedenk hoeveel volmacht'ger min ons sluit met haar getrouwe vleuglen in. Had je mij altijd door, avond en morgen, bleef je mij ooveral eeuwig nabij, dan zou je rustig zijn en niet meer zorgen— waarom dan ben je nu angstig om mij? Vergeet je den veel liever Minnaar dan die nooit en nergens ons verlaten kan?

Op de heuvelen.

'k Zag der bewoude heuvlen donkre deining, en de akkerkleeden, groen en geel geblokt, ik zag der wolken blindende verschijning, in 't welvend blauw teer-zilv'rig uitgevlokt, ik zag rondom, als de verstijfde omlijning van een azuuren hoogbewoogen zee, 't wijd vergezicht, in eindlooze verfijning, tot waar een glans-waas 't al vereev'nen dee. Ik zag veel besjes tusschen grauw-groen loover gloend-vermiljoen in najaars-zonneschijn,— en diep in 't dal, stil-schuchter in den toover, de kleine huisjes waar de menschen zijn. Het was der aarde moederlijk ontmoeten d at mij beving met nameloos ontzag, 'k zag haar onsterf'lijk aangezicht mij groeten, zij sloeg mij spraakloos met haar schoonen lach. 'k Verstond een fluisterklank van haar gepeinzen, als 't kind het eerste woord uit moeders mond, terwijl zij 't weidsche licht-geluk liet deinzen hel-stralend booven purpren horizont. Een vlucht'ge glimp gewerd mij van haar denken en mijn vervaard oog ving een ligt gerucht van wat zij droomt, bij 't eeuwig ommezwenken in majestatisch kalme heemel-vlucht. Toen keerde ik in,—en vond mijn ziel zóó vreugdig en mijn geluk met een zóó diep verschiet— 'k hervond in al mijn leeven een zoo jeugdig en een zoo onomfloerst genieten niet. En toch!...waar bleeven thands de zoete liefden, de hart-verlangens van mijn jongen tijd, mij eenmaal 't dierst?—wat macht'ger drang verhief den geest van hen weg, tot in deeze eenzaamheid? Nu zie 'k hen als de kleine huisjes ginder, met hun rook-vaantjes blauw in d'effen sfeer, hun lieve trouwlijkheid geldt mij niet minder, maar 't heem-genucht begrenst den blik niet meer. Thans moet ik noode wijder ruimten peilen, de ziel stijgt siddrend in doorzichtig Al, onweetend waar zij weer tot rust verwijlen wat nu haar voorig heil vervangen zal. In wat hier helderst is kan 't oog niet staren, en angstig zoekt het wat dan toevlucht geeft, zoolang 't geen wonderteeken kan ontwaren dat zegt wat leeven aarde en zonne leeft. Het avondt zachtkens,—duizend, duizend wolkjes, als fijn blank schuim met glans van parelmoer, betrekken met hun raadselvolle kolkjes in stillen wenk den blauwen heemelvloer, en ik berust.—De lichtstem der planeeten drong éven door, met de echo van een woord. Wèl kan mijn ziel den wond'ren zin vergeeten, niet, dat zij 't voor een oogwenk heeft gehoord.

Het Gebergte.

De bergen gingen schuil en er ontstonden sombre wolkvormen booven 't glanzig meer; die dreeven weiflend, wentlend heen en weer, stormden dan opwaarts, dreigden en verzwonden. Wit schuim werd zichtbaar op het staalblauw vlak en de seréniteit der wouden brak! Waar hoog met zilvren letters stond geschreeven der aarde schoonste en heiligste gedicht, in eeuwge sneeuw en fonklend gletscher-licht, was niet dan duister neevelgrauw gebleeven, dat onontraadseld, onverstaan, onttoog het woord der bergen aan mijn dorstend oog. Ik had hen niet verstaan, schoon 'k dag aan dag, in heevige aandacht, 't spel der harmonieën van wit en grauw, bekleed door draperieën van zonbeglansde wolkenvacht, bezag, 't steeds wisslend licht op de altoos starre lijnen, en 't zoet verkleuren bij des Lichts verdwijnen, als een droefschoone roep om weederzien, onder des heemels zacht verbleekend blauw. Ik voelde 't aanzijn der mysteriën nauw of, angstbeklommen, teevens hun ontvlien. Sterk spreekt uw stem, gebergte! o sterker dan de stem der zee, die zóó ontroeren kan; maar 't luiden van uw zang is zóó verheeven, en 't rhythme van uw leeven vloeit zóó traag, dat ik onmachtig in beklemming draag 't wigt van uw waarheid, onbewolkt gegeeven. En dat bij 't glanslied van uw majesteit mijn hart verwelkt en om verzachting schreit. Ik zocht in liedren, die de menschen zingen, wat zich het innigst aan uw schoonheid paart, maar er weerklinkt geen menschenzang op aard, die tot uw hooge machtsfeer dóór kan dringen. En er ontstond een weemoed, die niet zweemt naar uw geluk, en is uw Weezen vreemd. Ik klom toen hoog naar de bezonde weiden waar, opziend tot den blauwen ether, staan kelken van dieper-blauwe gentiaan, waar de arend in spiraal-vlucht zich laat glijden door lucht zóó stil, zóó helder, zóó verreind, dat 't àl in tastbaar licht gevangen schijnt. Daar is de waereld als een droomgezicht van licht en stilte,—booven 't sneeuwwit ronden zich donkerblauw des heemels diepste gronden, en alles laaft zich aan het gouden licht, tot van het schamel gras de teerste sprieten, in roerloos, onverzadelijk genieten. Daar dronk ik ín een laafnis koel en zuiver, en onderging de gloorie deezer wondren, ik hoorde huivrend de lawinen dondren in grim'gen afgrond,—en verwon den huiver, tot 'k immermeer verlangend werd te kennen en aan 't ontzachlijk Bijzijn te gewennen. Toen schoot, uit 't Heiligdom dier heldre spanning, de berg-storm los, als een verwoede hond, zoodat 'k moest grijpen 't ijsveld waar ik stond,— en dreef mij neer naar 't land van mijn verbanning. Als bij het toornen van een reus, getergd, fronsten zich de wolkbrauwen van 't gebergt. 't Vervaarlijk Lijf van ros en grauw gesteent, door sneeuw en blauwige ijsstroom ooverspreid, omhulde zich tot wintersche eenzaamheid.— En ik had niet begreepen,—niet geweend,— mat waren al mijn vragen, al mijn beeden 't pracht-harnas des Verheev'nen langs gegleeden. Met al den last van leed, om niet gedragen, al 't wigt van zorg, onwaardig voor mijn kracht, smaad nauw vergeeven, kommer nauw verbracht, met al wat m' in verwondering doet vragen wat nog tot zulke grootsche Vreugden drijft, waar mij zoo bitter veel te lijden blijft,— met àl de in smart gekeetende gedachten, met al den twijfel, dien geen reede sust, met al de vragen, die in doffe rust 't verlossingswerk der heilge Rhythmen wachten, keerde ik weerom, zooals ik was gegaan, en trad met 't oud geduld de doodsche baan. Dag zonder troost! dag van deemoediging, van kwijnend herfstlicht, jamm'rend windgezucht, waarin het hart moet wenschen wat het ducht, en van 't geduchtste de bespoediging...... Totdat een nijpend lieve melodie de vale neevelwade scheurde.... en zie!— En zie!—toch had de Onkenbre mij gewijd en mij een sprank geschonken van zijn krachten, zoodat ik rustig schouwde in dieper schachten dan 'k ooit doorgronden kon in jonger tijd. 'k Zag waangestalten vluchten langs de wanden en de Vulkaan mijns diepsten Leevens branden. Was 't dâárom dan, dat zoolang bleef geslooten voor teerder zangen mijn gestrenge mond? Was 't dáárom, dat 'k den welluid niet meer vond waarmee voorheen de liefde-liedren vlooten, hoewel nooit scherper ploeg van leed om liefde den weeken harte-boodem dieper kliefde? Vergleeden leeven! lieflijk heuvelland! waar rond een wijd, blank meer de kusten glooyen oopen voor 't licht, en zich aanminnig tooyen met woud en wingert, rossig in den brand van warme zon,—waar blijde menschen gaan, waar stil en slank de popelreyen staan, waar van dorpskerkjes vroome klokken galmen, waar vriendlijk volk, geduldig en tevree, als recht aanvaardt al 't kleine wel en wee, en Zondags dankt in onverstane psalmen,— waar men op heldren dag den sneeuwberg ziet als heerlijke oogenlust in ver verschiet, maar van zijn ijz'ge grimmigheid niet weet;— waar wordt geliefd, gerouwd, geklaagd, gebeeden, maar rust gevonde⁀in liedren en gebeeden en schoone Zaligheid in alle leed.... Vergleeden leeven! droefheid zonder naam perst mij, als ik U zie, de lippen saam. De droefheid van een vader, die vergrijsd in zorgvol weeten, bij het ziekbed wijlend van 't eenig kind, hoort hoe 't in koortsgloed ijlend de pracht der bonte vizioenen prijst.— O bittre glimlach om gewaande prachten! O Vuurhel der verwoestende gedachten! De glimlach van een martlaar, die vóór de ooven in diepgeweld'ge zelfschouw, zich bezint, en hoort bij 't scheiden zijn onschuldig kind verrukt het spel der vlugge vlammen looven.... Gelukkig volk der blijde landen! weet dat al uw waarheid nog verwoesting heet. Maar ook des vuurs vernietiging is schijn. Het kan de werking van 't bestaande wenden, maar niet des weezens vaste kern doen enden, of wat eenmaal bestaan heeft, niet doen zijn. Het vluchtig schijnschoon kan alleen vergaan door wat nóg schooner is, en blijft bestaan. En weet het, allen! die in zulke beemden van dierbre vreede en vruchtbaarheid gedijt, dat ginds het barre Hooggebergt verbeidt het uur, dat al dat lieve U zal ontvreemden, het uur, dat al uw lichtjes zal verdonkren.... De sneeuwberg blijft in starre blijheid flonkren. Gij, die de blindheid kiest, en mij beklaagt om 't rustloos zoeken naar wat wein'gen deelen, om 't trots verwerpen van 't geluk der veelen, uw noodlot wordt ook geen moment verdaagd. Ik zag d'onwrikbaarheid dier hooge Machten, wier Heerlijkheid gena kent noch verzachten. Uw vroomheid is hen schennis en Godslastring, uw liefde haat, uw dankgebed een hoon, als vijand teegen vijand staat hun schoon oover het uwe, en stormen van verbastring zullen verdervend door uw waereld woeden— als door het lieflijk dal de gletscher-vloeden. Wreed is de Liefde van wat onverganklijk en hoog-verheeven is, en wreeder doet het schijnen wie Zijn zeegening ontmoet en wordt allengs voor Zijn geluk ontfanklijk, zoodat hij liefdeloos heet en verblind, naarmaat hij méér, met vaster liefde mint. En alle trouw aan Hem die niet vergaat, heet ontrouw onder menschen, die niet lijden wat stoort hun kleine vreede en klein verblijden. Maar wie zal klage' om wanbegrip en smaad die na geduldig en hartstochtelijk dingen één lichte zeegenwenk Hem kon ontwringen? Nog eenmaal zie 'k de blank gekante kroonen in klaren dag, in statig kalme pracht, als wilden zij, vóór 't ingaan van den nacht, nog éénmaal onomsluyerd aan mij toonen hun stralend Heil, omgord door sombre wouden—— Gij gaaft, Gebergte!—Ik nam, en zal behouden!

Goede Werking.

Veel kleine, nijdige dwazen wilden mijn kaarsjen uitblazen, toen werd het in mijn hand een machtige fakkelbrand.

Mijn Vrienden.

Ik droeg mijn baloorige vrienden 't kwaad hart niet toe, dat ze verdienden. Want al hebben ze mij soms deerlijk bezeerd, ze hebben zichzelf nog méér geblameerd. Op 't schande leeger, mij toegedacht, liggen ze zelf eens, niet heel zacht, en ik kan hen, met alle vergeevingsmacht, van die zelfgespreide bedden in der eeuwigheid niet meer redden.

Dichter en Geleerde.

De Dichter is een neuswijs kind, dat Leeven zoekt waar 't niemand vindt. Hij spreekt met bergen, maan en zon alsof dat alles leeven kon. De Dood zelf lijkt hem een bedrog, zelfs dáárin speurt hij 't leeven nog. Maar de Natuurgeleerde doet juist het omgekeerde. Zijn heedendaagsche weetenschap is wonder-slim, en wonder-knap, want die verklaart, met wijsheid groot, het Leeven door den Dood.

Besluit.

De waereld scheen mij zoo droef-bevolkt en de weg der menschen zoo'n harde baan, dat ik meende wel altijd zorgen-bewolkt en kommer-beladen door 't leeven te gaan. Maar ik schepte een licht verblijden uit een bronwel booven de tijden, daarmee wil ik voortaan enk'len der aandachtigsten besprenklen, en de tijden doorschrijden met ligten tred, en ooveral waar ik mijn schreeden zet een lichtdrop plengen den droeven, maar niet in hun duisternis toeven.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings