← Table of contents
Christuslegenden

De Zweetdoek van de Heilige Veronica.

Margaretha Meijboom translation

I.

In een van de laatste jaren van de regeering van keizer Tiberius gebeurde het, dat een arme wijngaardarbeider en zijn vrouw zich neerzetten in een eenzame hut, hoog in de Sabijnsche bergen. Zij waren vreemden en leefden in de grootste eenzaamheid, zonder ooit van iemand bezoek te ontvangen. Maar op een morgen, dat de arbeider zijn deur opendeed, vond hij tot zijn verbazing een oude vrouw, ineengedoken op den drempel zitten. Zij was in een eenvoudigen grijzen mantel gewikkeld en zag er uit alsof ze heel arm was. Maar niettegenstaande dat, kwam ze hem zoo eerbiedwaardig voor, toen ze opstond en hem te gemoet ging, dat hij onwillekeurig denken moest aan wat de sagen vertellen van godinnen, die in de gedaante van een oude vrouw de menschen bezocht hadden.

„Mijn vriend,” zei de oude tegen den arbeider, „ge moet u er niet over verwonderen, dat ik vannacht op uw drempel geslapen heb. Mijn ouders hebben in deze hut gewoond en hier werd ik voor bijna negentig jaar geboren. Ik had gedacht, ze leeg en verlaten te vinden. Ik wist niet, dat menschen haar opnieuw in bezit genomen hadden.”

„Het verbaast mij niet, dat gij meendet, dat een hut, die zoo hoog in deze woeste bergen ligt, leeg en verlaten zou staan,” zei de arbeider; „maar mijn vrouw en ik komen uit een ver land, en wij arme vreemdelingen hebben geen beter huis kunnen vinden. En voor u, die hongerig en moe moet zijn na die lange wandeling, die ge in uw hoogen ouderdom ondernomen hebt, moet het beter zijn, dat de hut door menschen bewoond wordt, dan door wolven van de Sabijner bergen. Nu vindt ge toch daarbinnen een bed om op te rusten, een schotel geitenmelk en een stuk brood, als ge dat voor lief wilt nemen.”

De oude glimlachte even, maar dat lachje was zoo vluchtig, dat het de uitdrukking van diepe smart niet kon verdrijven, die op haar gezicht rustte.

„Ik heb mijn heele jeugd hier in de bergen doorgebracht,” zei ze; „ik ben de kunst nog niet vergeten een wolf uit zijn hol te verdrijven.”

En ze zag er werkelijk zoo sterk en krachtig uit, dat de arbeider er niet aan twijfelde, dat zij, niettegenstaande haar hoogen ouderdom, nog kracht genoeg had om te strijden met de wilde dieren in het bosch.

Hij herhaalde intusschen zijn uitnoodiging en de oude vrouw trad de kamer binnen.

Zij zette zich aan den maaltijd met de arme lieden en nam daaraan deel zonder aarzelen.

Maar hoewel zij heel tevreden scheen met het grove brood in melk geweekt, dachten de man en de vrouw beiden: „Waar kan toch die oude zwerfster vandaan komen? Zij heeft zeker vaker faisanten van zilveren schotels gegeten, dan zij geitenmelk heeft gedronken uit aarden schotels.”

Nu en dan hief zij haar oogen op van den grond en keek rond, alsof ze trachten wilde alles in de hut te herkennen. De armoedige woning met haar kale wanden van klei en haar aarden vloer waren zeker niet veel veranderd. Zij wees zelfs haar gastheer en gastvrouw hoe op de muren nog enkele sporen te zien waren van honden en herten, die haar vader daar geteekend had tot vermaak van zijn kleine kinderen. En op een plank in de hoogte meende zij nog de scherven te zien van een aarden vat, waarin zij zelf de melk placht te gieten.

Maar de man en de vrouw dachten: „Het zal zeker wel waar zijn, dat zij in deze hut geboren is, maar zij heeft toch wel anders in het leven te doen gehad dan geiten melken en boter en kaas maken.”

Zij merkten ook, dat zij dikwijls ver weg was met haar gedachten, en dat ze diep en zwaar zuchtte zoo vaak ze tot zichzelf kwam.

Eindelijk stond ze op van den maaltijd. Ze dankte vriendelijk voor de gastvrijheid, die ze genoten had en ging naar de deur.

Maar toen kwam het den arbeider voor, dat zij zoo deerniswaardig eenzaam en arm was, dat hij uitriep: „Als ik mij niet vergis, was het uw plan niet, zoo spoedig deze hut te verlaten, toen ge vannacht hierheen kwaamt. Als ge werkelijk zoo arm zijt als ge schijnt, zal het wel uw bedoeling geweest zijn, hier al de jaren te blijven, die ge nog te leven hadt. Maar nu wilt ge heengaan, omdat mijn vrouw en ik de hut reeds in bezit genomen hebben.”

De oude ontkende niet, dat hij goed geraden had. „Maar deze hut, die zooveel jaren alleen gestaan heeft, hoort evenzeer van u als van mij,” zei ze. „Ik heb geen recht u daaruit te verdrijven.”

„Maar het is toch de hut van uw ouders,” zei de arbeider; „en ge hebt er zeker meer recht op dan ik. Bovendien zijn wij jong en gij zijt oud. Daarom moet gij blijven en wij zullen heengaan.”

Toen de oude deze woorden hoorde, was zij zeer verwonderd. Zij wendde zich om op den drempel en staarde den man aan, alsof zij niet begrepen had wat hij met zijn woorden meende. Maar nu mengde zich de jonge vrouw in ’t gesprek:

„Als ik mocht doen wat ik wilde,” zei ze tegen den man, „zou ik die oude vrouw willen vragen, of ze ons niet als haar kinderen beschouwen wil en ons hier bij haar laten blijven om haar op te passen. Wat zou het haar helpen, of we haar al deze armoedige hut gaven en haar dan verlieten? Het zou vreeselijk voor haar zijn alleen hier in de wildernis te wonen en waar zou ze van leven? Het zou hetzelfde zijn als haar dood te laten hongeren.”

Maar de andere ging naar den man en de vrouw toe en keek ze onderzoekend aan.

„Waarom spreekt ge zoo,” vroeg ze; „waarom bewijst ge mij barmhartigheid? Ge zijt immers vreemdelingen?”

Toen antwoordde de jonge vrouw: „Dat doen wij, omdat we eenmaal zelf groote barmhartigheid ondervonden hebben.”

II.

De oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den arbeider en zij sloot groote vriendschap met de jongelieden. Maar toch zei ze hun nooit van waar ze gekomen was of wie ze was, en zij begrepen, dat ze het niet aangenaam zou gevonden hebben, als zij het haar gevraagd hadden.

Maar op een avond, toen ’t werk gedaan was en ze alle drie op den grooten platten steen voor de deur zaten en ’t avondmaal gebruikten, zagen zij een oud man het pad opkomen.

’t Was een groot en sterk gebouwd man, met schouders zoo breed als die van een worstelaar. Op zijn gezicht lag een strakke, sombere uitdrukking. ’t Voorhoofd stak vooruit over de diep liggende oogen, en de lijnen om den mond spraken van bitterheid en verachting. Zijn houding was fier en zijn bewegingen waren snel.

De man droeg eenvoudige kleeren, en de arbeider dacht zoodra hij hem zag: „Die man is een oud soldaat, een die uit den dienst ontslagen is en nu op weg naar huis is.”

Toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel staan. De arbeider, die wist, dat de weg een eind boven de hut doodliep, legde zijn lepel neer en riep hem toe: „Zijt ge verdwaald, vreemdeling, dat ge bij deze hut komt? Niemand neemt de moeite hierheen te klimmen, die niet een boodschap heeft voor ons, die hier wonen.”

Terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij: „Ja, ’t is zooals ge zegt,” zei hij. „Ik ben verdwaald en nu weet ik niet waar ik heen moet. Als ge me hier een poos wilt laten uitrusten en mij dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve te komen, zal ik heel dankbaar zijn.”

Met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen, die voor de hut lagen.

De jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen, maar hij wees dat glimlachend af. Daarentegen was hij zeer geneigd met hen te spreken; onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar hun levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig.

Maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem uit te hooren: „Ge ziet hoe verlaten en eenzaam we wonen,” zei hij. „’t Is wel een jaar geleden, dat ik iemand anders sprak dan herders en arbeiders in den wijngaard. Kunt gij, die van een of ander leger komt, ons niet wat vertellen van Rome en van den keizer?”

Nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte, dat de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp, en dat zij met de hand het teeken gaf, dat men met zijn woorden voorzichtig moest zijn.

De vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk: „Ik begrijp, dat ge me voor een soldaat aanziet, en ge hebt geen ongelijk, hoewel ik al lang geleden uit dienst gegaan ben. Onder de regeering van Tiberius was er niet veel werk voor ons, krijgslieden. En toch was hij eens een groot veldheer. Dat was zijn gelukkige tijd. Nu denkt hij aan niets anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen. In Rome spreken alle menschen er over, dat hij verleden week den senator Titus heeft laten gevangen nemen en terechtstellen,—alleen op een verdenking.”

„Die arme keizer, hij weet niet meer wat hij doet,” barstte de jonge vrouw uit. Ze breidde de handen uit en schudde treurig en verwonderd het hoofd.

„Ge hebt werkelijk gelijk,” zei de vreemde, terwijl een trek van diepe somberheid op zijn gezicht kwam. „Tiberius weet, dat alle menschen hem haten, en dat brengt hem bijna tot waanzin.”

„Wat zegt ge?” antwoordde de vrouw. „Waarom zouden we hem haten? Wij beklagen hem alleen, omdat hij niet meer zulk een groot keizer is als in ’t begin van zijn regeering.”

„Ge vergist u,” zei de vreemde. „Alle menschen haten en verachten Tiberius. Waarom zouden ze anders doen? Hij is niets dan een wreede en onbarmhartige tiran. En in Rome gelooft men, dat hij van nu af aan nog erger wordt dan hij geweest is.”

„Is er dan iets gebeurd, dat hem tot een nog grooter monster maken zal dan hij al is?” vroeg de man.

Toen hij dat zei, merkte de huisvrouw, dat de oude hem opnieuw een waarschuwend teeken gaf, maar zóó in ’t verborgen, dat hij ’t niet zien kon.

De vreemdeling antwoordde hem vriendelijk, maar een eigenaardige glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen.

„Ge hebt misschien hooren vertellen, dat Tiberius tot nu toe in zijn omgeving een vriendin had, waarop hij vertrouwen kon en die hem altijd de waarheid zeide. Alle anderen, die aan zijn hof leven, zijn gelukzoekers en huichelaars, die de booze en listige daden van den keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele. Toch was er, zooals ik zei, een enkele, die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden waard waren. Die mensch, die moediger was dan senatoren en veldheeren, was de oude min van den keizer: Faustina.”

„Dat is waar, ik heb van haar gehoord,” zei de arbeider. „Men heeft mij gezegd, dat de keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft.”

„Ja, Tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te stellen. Hij heeft die arme boerenvrouw, die in een ellendig hutje op de Sabijnerbergen geboren werd, als zijn tweede moeder behandeld. Zoolang hij zelf zich in Rome ophield, liet hij haar wonen in een huis op het Palatino, om haar altijd in zijn nabijheid te hebben. Geen van Rome’s voornaamste matronen had het beter dan zij. Ze werd in een draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van een keizerin. Toen de keizer naar Capri verhuisde, moest zij hem daarheen vergezellen, en hij liet daar voor haar een landgoed koopen vol slaven en kostbaar huisraad.”

„Zij heeft het werkelijk goed gehad,” zei de man.

Nu was hij het, die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield. De jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan, die er met de oude vrouw gebeurde. Reeds van ’t oogenblik, dat de vreemde gekomen was, had zij geen woord meer gesproken. Zij had haar zacht en vriendelijk uiterlijk verloren. Zij had het eten van zich af geschoven en zat daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt. Zij staarde recht voor zich uit met een streng gezicht, als versteend.

„Het was de bedoeling van den keizer, dat zij een gelukkig leven zou hebben,” zei de vreemdeling, „maar niettegenstaande al zijn weldaden is zij hem nu ook ontrouw geworden.”

De oude vrouw kromp ineen bij deze woorden, maar de jonge vrouw legde troostend de hand op haar arm.

Daarop begon ze te spreken met haar warme, zachte stem. „Ik kan toch niet gelooven, dat de oude Faustina zoo gelukkig geweest is aan ’t hof, als ge zegt,” zeide ze, zich tot den vreemde wendend. „Ik ben er zeker van, dat zij Tiberius heeft liefgehad, alsof hij haar eigen zoon was. Ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op zijn edele jeugd was, en ik kan ook begrijpen, wat een verdriet het voor haar geweest is, dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed geworden is. Ze heeft hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd. ’t Moet vreeslijk voor haar geweest zijn, dat dit alles vergeefsch was. Eindelijk heeft zij ’t niet kunnen uithouden hem al dieper en dieper te zien zinken.”

De vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij ’t hooren van deze woorden. Maar de jonge vrouw keek niet naar hem op. Ze hield de oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig.

„Misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw zegt,” antwoordde hij. „Faustina is werkelijk niet gelukkig geweest aan ’t hof. Maar ’t is toch vreemd, dat zij den keizer in haar hoogen ouderdom verliet, nu zij het een heel leven bij hem had uitgehouden.”

„Wàt zegt ge daar?” zei de man. „Heeft de oude Faustina den keizer verlaten?”

„Ze is uit Capri verdwenen, zonder dat iemand het wist,” zei de vreemde. „Ze is even arm teruggegaan als ze gekomen is. Ze heeft niet één van haar schatten meêgenomen.”

„En weet de keizer volstrekt niet, waarheen ze gegaan is?” vroeg de jonge vrouw met haar zachte stem.

„Neen, niemand weet zeker welken weg ze gegaan is. Maar men houdt het voor waarschijnlijk, dat ze haar toevlucht tot de bergen van haar vaderland genomen heeft.”

„En de keizer weet ook niet, waarom ze is heengegaan?” vroeg de jonge vrouw.

„Neen, de keizer weet er niets van. Hij kan niet gelooven, dat ze hem verlaten heeft, omdat hij haar eens gezegd heeft, dat ze hem diende om loon en geschenken—zij zoo goed als de anderen. Ze weet toch wel, dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft. Hij heeft altijd gehoopt, dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen, want niemand weet beter dan zij, dat hij nu geheel zonder vrienden is.”

„Ik ken haar niet,” zei de jonge vrouw, „maar ik geloof toch, dat ik wel zeggen kan, waarom zij den keizer verliet. De oude vrouw is opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en zij heeft altijd door naar hier terug verlangd. Zij zou toch zeker nooit den keizer verlaten hebben, als hij haar niet beleedigd had, maar ik begrijp, dat zij daarna, nu haar dagen bijna geteld waren, meende recht te hebben ook aan zichzelf te denken. Als ik een arme vrouw uit de bergen was, zou ik zeker handelen als zij. Ik zou gedacht hebben, dat ik genoeg gedaan had als ik mijn heer een leven lang gediend had. Ik zou eindelijk weggegaan zijn van een weelderig leven en keizersgunst om mijn ziel te doen genieten van eer en rechtvaardigheid, voor zij van mij heenging op de lange reis.”

De vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan. „Ge denkt er niet aan, dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan ooit zullen worden. Nu is er niemand, die hem tot kalmte kan brengen, als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen. Denk u hier eens in,” ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de oogen van de jonge vrouw, „in de heele wereld is er nu niemand meer, die hij niet haat, niemand, dien hij niet veracht.”

Toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak, maakte de oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem, maar de jonge zag hem vast in de oogen en antwoordde:

„Tiberius weet, dat Faustina weer bij hem komt, zoodra hij dat wenscht. Maar eerst moet zij weten, dat haar oude oogen aan zijn hof geen zonde en schande behoeven te zien.”

Zij waren allen bij deze woorden opgestaan, en de arbeider en zijn vrouw gingen voor de oude vrouw staan, als om haar te beschermen.

De vreemde sprak geen woord meer, maar hij zag de oude vragend aan. „Is dat ook uw laatste woord?” scheen hij te willen zeggen.

De lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel steken.

„Als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad, dan moet hij haar de rust gunnen in haar laatste dagen,” zei de jonge vrouw.

De vreemde aarzelde nog, maar plotseling klaarde zijn donker gezicht op. „Mijn vrienden,” zei hij, „wat men ook zeggen mag van Tiberius, er is toch één ding, dat hij beter geleerd heeft dan anderen—en dat is ontberen. Ik heb nog maar één ding te zeggen: als die oude vrouw, waar we over spraken, deze hut mocht bezoeken, ontvang haar dan vriendelijk. De gunst des keizers rust op ieder, die haar bijstaat.”

Hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen, langs denzelfden weg waar langs hij gekomen was.

III.

Na dien tijd spraken de arbeider en zijn vrouw nooit meer met de oude vrouw over den keizer. Onder elkaar verwonderden zij er zich over, dat zij op haar hoogen leeftijd de kracht gehad had al dien rijkdom en macht, waaraan zij gewend was, te verzaken. „Zou ze niet gauw weer naar Tiberius teruggaan?” vroegen zij elkander af. „Zij heeft hem zeker nog lief. ’t Is in de hoop, dat dit hem tot bezinning zal brengen en hem er toe brengen zich te bekeeren van zijn slechte handelwijze, dat ze hem verlaten heeft.”

„Zoo’n oud man als de keizer komt er nooit toe een nieuw leven te beginnen,” zei de arbeider. „Hoe wil je zijn groote verachting voor de menschen van hem wegnemen? Wie zou bij hem kunnen komen en hem leeren ze lief te hebben? Vóór dit gebeurd is, kan hij niet van zijn wantrouwen en wreedheid genezen worden.”

„Je weet, dat er een is, die dat werkelijk zou kunnen,” zei de vrouw. „Ik denk er dikwijls aan, hoe het gaan zou, als die twee elkaar ontmoetten. Maar Gods wegen zijn onze wegen niet.”

De oude vrouw scheen haar vorig leven in ’t geheel niet te missen. Eenigen tijd later kreeg de jonge vrouw een zoon en toen de oude dien mocht verzorgen, was ze zóó vergenoegd, dat het scheen, of ze al haar verdriet vergat.

Ieder half jaar wikkelde zij zich in den langen grijzen mantel en ging naar Rome. Daar bezocht ze niemand, maar ging regelrecht naar het Forum. Daar stond ze stil voor een kleinen tempel, die aan de eene zijde van de prachtig versierde markt was opgericht.

Die tempel bestond eigenlijk alleen uit een buitengewoon groot altaar, dat onder den blooten hemel op een met marmer bevloerde plaats stond. Hoog op het altaar troonde Fortuna, de godin van het geluk en aan zijn voet stond een beeld van Tiberius. Om de plaats heen lagen gebouwen voor priesters, bewaarplaatsen voor brandstof en stallen voor offerdieren.

De wandeling van de oude Faustina strekte zich nooit verder uit dan tot dezen tempel, want daar plachten zij te komen, die om geluk voor Tiberius wilden bidden.

Als zij een blik naar binnen geworpen en gezien had dat het beeld van de godin en dat van den keizer beide met bloemen versierd waren, dat het offervuur vlamde en een schaar eerbiedige aanbidders voor het altaar verzameld waren, als ze gehoord had hoe de hymnen der priesters er omheen klonken keerde zij om en begaf zich weer naar de bergen.

Op die manier kwam zij te weten, zonder dat ze iemand behoefde te vragen, dat Tiberius nog onder de levenden behoorde en dat het hem wel ging.

Den derden keer, toen ze dien tocht ondernam, wachtte haar een verrassing. Toen ze bij den kleinen tempel kwam, vond ze dien stil en verlaten. Geen vuur vlamde voor de beelden en zij zag geen enkelen aanbidder. Een paar verdroogde guirlanden waren nog aan het altaar blijven hangen, maar dat was ook alles wat nog van de vroegere heerlijkheid getuigde. De priesters waren weg en het keizersbeeld, dat daar onbewaakt stond, was beschadigd en bezoedeld.

De oude vrouw wendde zich tot den eersten den besten voorbijganger: „Wat moet dat beteekenen?” zei ze. „Is Tiberius dood? Hebben wij een and’ren keizer?”

„Neen,” antwoordde de Romein, „Tiberius is nog keizer. Maar wij hebben opgehouden voor hem te bidden. Onze gebeden baten hem niet meer.”

„Vriend,” zei de oude, „ik woon ver weg in de bergen, waar men niets hoort van wat er in de wereld gebeurt. Wilt ge me niet zeggen welk ongeluk den keizer getroffen heeft?”

„Het vreeselijkste van alle,” zei de man. „Hij is aangetast door een ziekte, die vroeger niet in Italië bekend geweest is, maar die schijnt voor te komen in ’t oosten. Sinds die ellende over den keizer kwam, is zijn aangezicht veranderd, zijn stem is als die van een knorrend dier geworden en zijn teenen en vingers teren weg. En voor die ziekte schijnt geen geneesmiddel te bestaan. Men gelooft, dat hij binnen eenige weken zal sterven, maar als hij niet sterft moet men hem afzetten, want zoo’n ziek, ellendig mensch kan niet regeeren. Ge begrijpt dus wel, dat zijn lot beslist is. Het baat niet de godin om geluk voor hem aan te roepen. En ’t is ook de moeite niet waard,” voegde hij er bij met een glimlach, „niemand heeft nu meer iets van hem te hopen en te vreezen. Waarom zullen we nu moeite doen om zijnentwil?”

Hij groette en ging heen, maar de oude vrouw bleef als bedwelmd staan.

Voor ’t eerst in haar leven zonk ze ineen en zag er uit als iemand, die door den ouderdom overwonnen was. Ze stond met gebogen rug en trillend hoofd en handen, die hulpeloos voor zich uittastten in de lucht.

Zij verlangde van die plaats weg te komen, maar ze verzette de voeten langzaam en bewoog zich wankelend voort. Ze zag om naar iets wat ze als staf gebruiken kon. Eenige oogenblikken later gelukte het haar toch met een ongehoorde krachtsinspanning haar matheid te overwinnen. Ze richtte zich op en dwong zich met vaste schreden door de dicht bevolkte straten te gaan.

IV.

Een week later ging de oude Faustina de steile helling van het eiland Capri op. ’t Was een warme dag en het vreeslijk gevoel van ouderdom en matheid kwam weer over haar, terwijl ze zich langs de slingerende wegen naar boven werkte op de in de rots uitgehouwen trappen, die naar de villa van Tiberius leidden.

Dat gevoel nam toe, toen ze begon te merken hoe veranderd alles was in den tijd, dat ze weg geweest was. Voorwaar, langs deze trappen waren altijd groote scharen menschen op en neer gegaan. Hier wemelde het vroeger van senatoren, die zich lieten dragen door reusachtige Lybiërs, van gezanten uit de provincie—die in lange optochten vergezeld van slaven aankwamen—van sollicitanten, van aanzienlijke mannen, die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de feesten van den keizer.

Maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten. De grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens, die de oude vrouw op haar weg ontdekte.

Zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen. De ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben, en toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen. Fijne gewassen, die in schoone vazen geplant stonden, waren al verdroogd, en domme vernielaars, die niemand had tegengehouden, hadden op een paar plaatsen de balustraden afgebroken.

Maar ’t allerzonderlingste vond ze toch die volkomen afwezigheid van menschen; al was het ook aan vreemdelingen verboden zich op het eiland te vertoonen, dan moesten zij er toch wel zijn, die eindelooze scharen van krijgslieden en slaven, van danseressen en muzikanten, van koks en tafelbedienden, van paleiswachters en tuinarbeiders, die tot ’s keizers huishouding hoorden. Eerst toen Faustina het bovenste terras bereikt had, kreeg ze een paar oude slaven in ’t oog, die op de stoep voor de villa zaten. Toen ze hen naderde, stonden ze op en bogen voor haar.

„Wees gegroet, Faustina!” zei de een. „Het is een god, die u zendt om ons ongeluk te verzachten.”

„Wat is dat toch, Milo,” vroeg Faustina, „waarom is ’t hier zoo eenzaam? Men heeft mij toch gezegd, dat Tiberius nog op Capri woont.”

„De keizer heeft al zijn slaven weggedreven, omdat hij vreest, dat een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor de ziekte veroorzaakt heeft. Hij zou ook mij en Tito hebben weggejaagd, als wij niet hadden geweigerd hem te gehoorzamen. En ge weet, dat wij den keizer en zijn moeder ons heele leven gediend hebben.”

„Ik vraag niet alleen naar slaven,” antwoordde Faustina, „waar zijn de senatoren en veldheeren? Waar zijn de vertrouwden van den keizer, en al de kwispelstaartende gelukzoekers?”

„Tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen,” zei de slaaf; „de senatoren Lucius en Macro, aanvoerders van de lijfwacht, komen hier elken dag zijn bevelen ontvangen. Niemand anders mag hem naderen.”

Faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden. De slaaf ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem: „Wat zeggen de geneesheeren van de ziekte van Tiberius?”

„Niemand van hen kan die ziekte behandelen. Zij weten niet eens of zij snel of langzaam doodt; maar dit kan ik u wel zeggen, Faustina, dat Tiberius sterven moet, wanneer hij zooals nu, alle voedsel weigert, uit vrees dat het vergiftigd kan zijn. En ik weet, dat een zieke het niet uithouden kan, dag en nacht te waken, zooals de keizer doet, uit angst om in den slaap vermoord te worden. Als hij op u vertrouwen wil zooals in vroeger dagen, dan kon het u misschien gelukken hem er toe te brengen te eten en te slapen. Daarmee kunt ge zijn leven vele dagen verlengen.”

De slaaf voerde Faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen naar een terras, waar Tiberius zich gewoonlijk ophield om het uitzicht te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen Vesuvius. Toen Faustina op het terras kwam, zag ze daar een griezelig wezen met een opgezwollen gezicht en dierlijke trekken. Zijn handen en voeten waren met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken hier en daar half verteerde vingers en teenen, en de kleeren van dien mensch waren stoffig en vuil.

Men kon begrijpen, dat hij niet in staat was rechtop te gaan, maar op het terras had moeten kruipen.

Hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet, toen de slaaf en Faustina aankwamen.

Maar Faustina fluisterde den slaaf, die voor haar liep, toe: „Maar Milo, hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den keizer zelf komen? Breng hem gauw weg.”

Maar nauwelijks had zij dat gezegd, of ze zag hoe de slaaf zich ter aarde boog voor den ellendige, die daar lag.

„Caesar Tiberius,” zei hij, „ik heb u eindelijk een blijde boodschap te brengen.”

Op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar Faustina, maar toen week hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen.

Hij zag niet meer de trotsche matrone, die er zoo sterk had uitgezien, dat men had kunnen verwachten, dat haar leeftijd zoo hoog zou worden als die van een sibylle. In dat oogenblik was ze ineen gezonken als in machteloozen ouderdom. En de slaaf zag voor zich een gebogen oude vrouw met somberen blik en tastende handen. Want wel had Faustina gehoord, dat de keizer vreeselijk veranderd moest wezen, maar ze had toch geen oogenblik opgehouden zich hem voor te stellen als den sterken, krachtigen man, dien zij het laatst gezien had. Zij had ook iemand hooren zeggen, dat deze ziekte langzaam werkte en dat die jaren noodig had om een mensch te veranderen.

Zij wankelde naar den keizer. Ze kon niet spreken, maar stond stil naast hem te schreien.

„Zijt ge nu gekomen, Faustina?” zei hij toen zonder de oogen te openen. „Ik lag hier en verbeeldde mij, dat ge bij mij stondt en om mij schreide. Ik durf niet opzien uit angst dat het maar een dwaling is.”

Toen zette de oude zich naast hem neer. Zij hief zijn hoofd op en legde het in haar schoot.

Maar Tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien. Een gevoel van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in een gezonden slaap.

V.

Eenige weken later kwam een van de slaven van den keizer naar de eenzame hut in de Sabijner-bergen. Het liep tegen den avond, en de arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon ondergaan in het verre westen. De slaaf ging van het pad af, kwam op hen toe en groette hen. Daarop nam hij een zware beurs, die hij in den gordel droeg en hij legde die in de hand van den man.

„Dit zendt u Faustina, de oude vrouw, aan wie gij barmhartigheid bewezen hebt,” zei de slaaf; „zij verzoekt u voor dit geld u een eigen wijngaard te koopen en u een huis te bouwen, dat niet zoo hoog op de bergen ligt als een arendsnest.”

„Leeft de oude Faustina dan werkelijk nog?” zei de man; „we hebben haar gezocht in kloven en moerassen. Toen zij niet meer terugkwam, meende ik, dat zij den dood gevonden had tusschen deze ellendige bergen.”

„Herinner je je niet,” zei de vrouw, „dat ik niet wilde gelooven, dat ze dood was? Heb ik je niet gezegd, dat ze weer naar den keizer teruggegaan was?”

„Ja,” gaf de man toe; „dat heb je werkelijk gezegd, en ik ben blij, dat je gelijk hebt, niet alleen omdat Faustina op die manier rijk genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen, maar ook ter wille van den armen keizer.”

De slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken te komen vóór de nacht inviel. Maar dit stonden de beide echtgenooten niet toe.

„Ge moet bij ons blijven tot morgen,” zeiden ze. „We kunnen u niet laten gaan voor ge ons alles verteld hebt, wat met Faustina gebeurd is. Waarom is zij weer naar den keizer teruggegaan? Hoe was hun ontmoeting? Zijn ze nu blij, dat ze weer bij elkaar zijn?”

De slaaf gaf toe aan hun verzoek. Hij volgde hen in de hut en onder den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van Faustina’s terugkomst.

Toen de slaaf zijn verhaal geëindigd had, zag hij den man en de vrouw onbeweeglijk zitten, stom van verbazing. Zij hielden de oogen neergeslagen als om de ontroering, die hen aangegrepen had, niet te verraden.

Eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw: „Gelooft ge niet, dat dit een beschikking van God is?”

„Ja,” zei de vrouw, „zeker was het hiervoor, dat de Heer ons over zee zond naar deze hut. Stellig was dit Zijn bedoeling, toen Hij de oude vrouw hierheen voerde naar onze deur.”

Zoodra de vrouw deze woorden gesproken had, wendde de arbeider zich weer tot den slaaf.

„Vriend,” zeide hij tot hem, „ge moet een boodschap voor mij naar Faustina brengen. Zeg haar dit woord voor woord: „Zoo groet u uw vriend, de wijngaardarbeider uit de Sabijner-bergen: Gij hebt de jonge vrouw gezien, die mijn echtgenoote is. Vondt ge haar schoonheid niet lieflijk en haar gezondheid bloeiende? En toch heeft deze jonge vrouw eenmaal aan dezelfde ziekte geleden, die nu Tiberius heeft aangetast.”

De slaaf maakte een beweging van verwondering, maar de arbeider ging voort met steeds sterker nadruk op ieder woord:

„Als Faustina mijn woorden niet gelooven wil, zeg haar dan, dat mijn vrouw en ik uit Palestina in Azië komen, een land, waar die ziekte dikwijls voorkomt. En daar is de wet zoo, dat de melaatschen worden verdreven uit steden en dorpen, en op eenzame plaatsen moeten wonen, zich hun woning zoekend in greppels en grotten. Zeg Faustina, dat mijn vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en zoolang ze nog een kind was, was ze gezond, maar toen ze opgroeide tot een jonge maagd, werd zij door de ziekte aangetast.”

Toen de arbeider dit gezegd had, boog de slaaf vriendelijk lachend het hoofd en sprak tot hen:

„Hoe wilt ge, dat Faustina dat gelooven zal? Zij heeft immers uw vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers, dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is?”

Maar de man antwoordde: „Het zou het beste voor haar zijn, als ze mij geloofde. Maar ik ben ook niet zonder getuigen. Zij moet boodschappers zenden naar Nazareth in Galilea. Daar zal ieder mensch bevestigen wat ik gezegd heb.”

„Is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god, dat uw vrouw genezen is?” vroeg de slaaf.

„Ja,” antwoordde de arbeider; „het is zooals ge zegt. Op een dag verspreidde zich een gerucht onder de zieken, die in de eenzaamheid leefden: Zie, er is een groot Profeet opgestaan in Nazareth in Galilea. Hij is vol van Gods geest en Hij kan uw ziekte genezen door alleen maar Zijn hand op uw voorhoofd te leggen.” Maar de zieken, die daar lagen in hun ellende, wilden niet gelooven, dat dit gerucht waarheid was.

„Ons kan niemand genezen,” zeiden ze; „al sinds de dagen van de groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn ongeluk kunnen redden.”

Maar er was één van hen, die geloofde, en dat was een jonge maagd. Zij ging weg van de anderen om te trachten naar de stad Nazareth te komen, waar de profeet zijn verblijf hield. En op een dag, toen ze over groote vlakten wandelde, ontmoette ze een man, die lang en slank was, een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken lag. Zijn donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan. Maar eer ze elkaar ontmoetten, riep ze hem toe:

„Kom niet bij mij, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den Profeet van Nazareth vinden kan.”

Maar de man bleef op haar toekomen, en toen hij dicht voor haar stond, vroeg hij:

„Waarom zoekt ge den Profeet van Nazareth?”

„Ik zoek hem, opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen en mij van mijn ziekte genezen.”

Toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd, maar zij sprak tot hem:

„Wat baat het mij, of gij uw hand op mijn voorhoofd legt? Gij zijt geen profeet.”

Toen zag hij haar glimlachend aan en zei:

„Ga nu naar de stad, die daarginds op de berghelling ligt en vertoon u aan de priesters.”

De zieke dacht: „Hij houdt mij voor den gek, omdat ik denk, dat ik genezen kan worden. Van hem zal ik niet te weten komen wat ik vraag.” En zij liep voort. Onmiddellijk daarna zag ze een man, die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden. Toen hij zoo dichtbij was, dat hij haar hooren kon, riep zij hem toe: „Kom niet bij me, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den profeet van Nazareth vinden kan.”

„Wat verlangt ge van den profeet?” vroeg de man en reed langzaam naar haar toe.

„Ik wil alleen, dat Hij Zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal en mij van mijn ziekte genezen.”

Maar de man reed nog nader bij.

„Van welke ziekte wilt ge genezen worden?” vroeg hij. „Gij hebt geen geneesmeester noodig.”

„Ziet ge dan niet dat ik een onreine ben?” zeide zij. „Ik ben uit zieke ouders geboren in een grot.”

Maar de man bleef op haar toe rijden, want zij was mooi en teer, als een pas uitgekomen bloem.

„Gij zijt de schoonste maagd uit Judea!” barstte hij uit.

„Spot nu ook niet met mij,” zei ze. „Ik weet dat mijn trekken verwoest zijn en dat mijn stem is als het knorren van een wild dier.”

Maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar: „Uw stem is helder als die van een beek in de lente, als zij voortkabbelt over de kiezelsteenen, en uw gezicht is als een zachte zijden doek.”

En op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen, dat zij haar gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag, dat zijn zadel versierde.

„Ge kunt u hier spiegelen,” zei hij.

Dat deed zij en zij zag een gezicht, dat zacht en lenig was als de vleugel van een pas ontpopten vlinder.

„Wat is dat?” riep ze, „dat is mijn gezicht niet.”

„Ja, dat is uw gezicht,” zei de ruiter.

„Maar is mijn stem dan niet heesch; klinkt die niet alsof wagens voortgetrokken worden over een steenachtigen weg?”

„Neen, zij klinkt als de schoonste melodieën van een citherspeler.”

Zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen was.

„Weet ge wie die man is, die nu juist achter die twee eiken verdwijnt?” vroeg zij den ruiter.

„Dat is Hij, naar wien ge zoo pas gevraagd hebt, dat is de Profeet van Nazareth,” antwoordde de man.

Toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen vol tranen.

„O, Gij Heilige! O, Gij drager van de macht Gods!” riep zij uit. „Gij hebt mij genezen!”

En de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters en vertelde hun, hoe hij haar gevonden had. Zij vroegen nauwkeurig naar alles, maar toen zij hoorden, dat de maagd in de woestijn uit zieke ouders geboren was, wilden zij niet gelooven, dat zij hersteld was. „Ga terug vanwaar ge gekomen zijt,” zeiden zij. „Als ge ziek geweest zijt, moet ge dat uw geheele leven blijven. Ge moet niet hier naar de stad komen om ons met uw ziekte te besmetten.”

Zij sprak tot hen: „Ik weet, dat ik gezond ben, want de Profeet van Nazareth heeft Zijn hand op mijn voorhoofd gelegd.”

Toen zij dat hoorden, riepen zij uit: „Wie is hij, dat hij de onreinen rein zou kunnen maken? Dit alles is verblinding door booze geesten. Keer terug naar de uwen, opdat gij ons allen niet in het verderf stort.”

Zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar zich in de stad te vertoonen. Zij bepaalden, dat ieder, die haar beschermde, ook onrein zou verklaard worden.

Toen de priesters dit vonnis geveld hadden, zei de jonge maagd tot den man, die haar op het veld gevonden had: „Waar moet ik nu heengaan? Moet ik weer naar de woestijn, naar de zieken terug?”

Maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar: „Neen, gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten gaan, maar wij beiden zullen over de zee trekken, naar een ander land, waar geen wetten voor reinen en onreinen zijn. En zij ...” maar toen de arbeider zoover gekomen was met zijn verhaal, stond de slaaf op en viel hem in de rede.

„Ge behoeft me niets meer te zeggen,” zei hij, „sta liever op en ga met mij mee—gij, die de bergen hier kent, zoodat ik mijn terugtocht al vannacht beginnen kan en niet tot morgen behoef te wachten. De keizer en Faustina kunnen uw boodschap geen oogenblik te vroeg hooren.”

Toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht, en weer in de hut terugkwam, vond hij zijn vrouw nog wakker.

„Ik kan niet slapen,” zei ze. „Ik moet er steeds aan denken, dat deze twee elkaar zullen ontmoeten: Hij, die alle menschen liefheeft en hij, die ze haat.

„Het is alsof deze ontmoeting de wereld uit haar voegen zou kunnen brengen.”

VI.

De oude Faustina was op reis naar Jeruzalem en trok door het afgelegen Palestina. Zij had niet gewild, dat de opdracht den profeet te zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan aan haar zou worden toevertrouwd. Zeker had zij in zich zelf gedacht: wat wij van dien vreemden man begeeren is iets, dat we hem niet met geweld of geschenken kunnen aflokken. Maar misschien geeft hij het ons, als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer verkeert. En wie kan beter Tiberius’ voorspraak zijn dan iemand, die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf?

De hoop om misschien Tiberius te redden, had de oude vrouw verjongd. Zij had zonder moeite de lange zeereis naar Joppe uitgehouden en op weg naar Jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel, maar reed te paard. Zij scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden, als de Romeinsche edelen, de krijgslieden en de slaven, die haar gevolg uitmaakten.

Die reis van Joppe naar Jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw met blijdschap en hoop. Het was in de lente en de vlakte van Saron, waarover zij den eersten dag hadden gereden, was één enkel schitterend kleed van bloemen. Zelfs op de tweede dagreis, toen ze in de bergen van Judea waren, bleven de bloemen hun bij. Al de verschillend gevormde heuvels, waar de weg zich tusschen door slingerde, waren beplant met vruchtboomen, die in vollen bloei stonden. En toen de reizenden de witrose bloesems van abrikozen en perziken moe werden, konden zij hun oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof te zien, dat uit de zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat zoo snel groeide, dat men meende het te kunnen zien groeien.

Maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen, die de reis zoo mooi maakten. De grootste bekoring ging uit van alle menschen, die dien morgen op weg waren naar Jeruzalem. Van alle zijwegjes en paden, van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de vlakte kwamen de reizigers. Toen zij den weg naar Jeruzalem bereikt hadden, sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote scharen en trokken voort onder blij gejubel. Om een ouden man, die op een schommelenden kameel reed, liepen zijn zonen en dochters, zijn schoondochters en al zijn kleinkinderen. De familie was zoo groot, dat ze een klein leger vormde. Een oude moeder, die te zwak was om te loopen, werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich fier door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen.

Voorwaar, het was een morgen, die zelfs de meest bedroefden blij maken kon. De hemel was wel niet helder, maar met een dunne witgrijze wolkenlaag overtrokken, geen van de reizigers toch dacht er aan zich te beklagen, omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was. Onder dien gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de pas uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg, maar bleven hangen over wegen en velden. En die mooie dag, die met zijn zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van den nacht, scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van zijn aard mee te deelen, zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd voorttrokken, met gedempte stem overoude hymnen zingend, of spelend op wonderlijke, ouderwetsche instrumenten, waaruit tonen kwamen, die waren als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel.

Toen de oude Faustina voortreed onder al die menschen, werd ze werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken. Zij spoorde haar paard tot grooter snelheid aan, terwijl ze tot een jongen Romein, die naast haar reed, zeide: „Ik droomde vannacht, dat ik Tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen, maar juist vandaag naar Jeruzalem te gaan. ’t Komt mij voor alsof de goden mij een vermaning hebben willen zenden, niet te verzuimen er dezen mooien morgen heen te trekken.”

Terwijl zij dat zeide, had zij den top van een uitgestrekten bergrug bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil. Vóór haar lag een groot, diep keteldal, door mooie heuvels omringd en uit de donkere, schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots, die op haar schedel Jeruzalem droeg.

Maar de enge bergstad, die met haar muren en torens als een gekroond kleinood op den platten top van den heuvel lag, scheen haar dien dag duizendmaal vergroot. Al de heuvels, die zich rondom het dal verhieven, waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa.

’t Was duidelijk voor Faustina, dat de bevolking van het heele land bezig was in Jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote plechtigheid. Die ’t verst woonden, waren al gekomen en hadden hun tenten reeds in orde. Zij daarentegen, die in de buurt van de stad woonden, waren nog in aantocht. Aan den voet van alle lichte heuvels zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van witte kleeren, zangen en feestvreugde.

De oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en hun lange rijen tenten. Toen sprak zij tot den jongen Romein, die naast haar reed:

„Voorwaar, Sulpicius, ’t geheele volk moet naar Jeruzalem gekomen zijn.”

„Dat is werkelijk zoo,” antwoordde de Romein, die door Tiberius was uitgekozen om Faustina te vergezellen, omdat hij verscheidene jaren in Judea gewoond had. „Zij vieren nu het groote lentefeest en dan trekken alle menschen, oude en jonge, naar Jeruzalem.”

Faustina bedacht zich een oogenblik:

„Ik ben er blij om, dat we in deze stad komen op den dag, dat het volk hoogtij viert,” zei ze. „Dat kan niet anders beteekenen dan dat de goden onze reis beschermen. Houdt ge ’t niet voor mogelijk, dat hij, dien we zoeken—de Profeet van Nazareth, ook naar Jeruzalem is gekomen om aan ’t feest deel te nemen?”

„Voorwaar, ge hebt gelijk, Faustina,” sprak de Romein. „Hij is hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem. Dat is waarlijk een beschikking der goden. Hoe sterk en krachtig ge ook zijt, toch kunt ge blij zijn, dat ge de vrij lange, moeilijke reis naar Galilea niet behoeft te maken.”

Hij reed haastig op een paar wandelaars toe, die juist voorbij kwamen en vroeg hun of ze geloofden, dat de Profeet van Nazareth zich in Jeruzalem bevond.

„Wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien,” antwoordde een van de wandelaars. „Zeker is hij ook dit jaar hierheen gekomen, want hij is een vroom en rechtvaardig man.”

Een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel, die ten oosten van de stad lag. „Ziet ge die berghelling, met olijfboomen begroeid?” vroeg ze. „Daar richten de Galileërs gewoonlijk hun tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen over hem, dien ge zoekt.”

Zij trokken verder, reden langs een slingerend pad eerst naar ’t diepst van het dal en toen den berg van Sion op om de stad op zijn top te bereiken.

De steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven, en daarop zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen, die de barmhartigheid van de reizigers inriepen.

Onder het langzaam voortrijden kwam een der Joodsche vrouwen op Faustina toe: „Zie daar,” zei ze, op een van de bedelaars wijzend, die op den muur zat, „dat is een Galileër. Ik herinner me, dat ik hem onder de leerlingen van den Profeet gezien heb. Hij kan u zeggen waar ge hem vinden zult, dien ge zoekt.”

Faustina reed met Sulpicius naar den man, die haar was aangewezen. ’t Was een arme oude man met een grooten baard, die hier en daar grijs werd. Zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn; en zijn handen waren door den arbeid vereelt. Hij vroeg niet om aalmoezen; integendeel, hij scheen zoo verdiept in bekommering en gepeins, dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag.

Hij hoorde ook niet, dat Sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn vraag een paar maal herhalen.

„Vriend, men heeft mij gezegd, dat gij een Galileër zijt. Ik verzoek u daarom, mij te zeggen waar ik den Profeet van Nazareth kan vinden.”

De Galileër sprong heftig op en zag verwoed om zich heen. Maar toen hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde, werd hij door toorn en ontzetting aangegrepen. „Wat zegt ge toch!” stoof hij op. „Waarom vraagt ge mij naar dien man? Ik weet niets van hem! Ik ben geen Galileër.”

De Joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek. „Ik heb u toch in zijn gezelschap gezien,” viel zij in. „Wees niet bang, maar zeg deze voorname Romeinsche vrouw, die een vriendin van den keizer is, waar ze hem ’t beste kan vinden.”

Maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder. „Zijn dan alle menschen waanzinnig vandaag?” zei hij. „Zijn ze door een boozen geest bezield, dat ze keer op keer mij naar dien man komen vragen? Waarom wil niemand me gelooven, als ik zeg, dat ik den Profeet niet ken? Ik ben niet uit zijn land gekomen. Ik heb hem nooit gezien.”

Zijn heftigheid trok de aandacht, en een paar bedelaars, die naast hem zaten, begonnen hem ook tegen te spreken.

„Zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord,” zeiden zij. „Wij weten allen, dat gij met hem uit Galilea gekomen zijt.”

Maar de man strekte beide armen ten hemel en riep: „Ik heb het vandaag niet in Jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil, en nu laat men mij niet eens met rust hier onder de bedelaars. Waarom wilt ge mij niet gelooven als ik zeg, dat ik hem nooit heb gezien?”

Faustina haalde de schouders op en wendde zich af. „Laat ons verder gaan,” zeide ze. „Die man daar is immers waanzinnig. Van hem komen we niets te weten.”

Zij trokken verder de berghelling op. Faustina was niet verder dan twee stappen van de stadspoort, toen de Israëlietische vrouw, die haar had willen helpen den Profeet te vinden, haar toeriep voorzichtig te wezen. Zij hield den teugel in en zag, dat er een man op den weg lag, vlak voor de voeten van het paard. Zooals hij daar lag uitgestrekt in het stof, juist waar het gedrang het grootst was, scheen het een wonder, dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was.

De man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder uitdrukking. Hij bewoog zich niet, hoewel de kameelen hun zware pooten dicht naast hem neerzetten. Hij was armoedig gekleed en nu was hij bovendien vuil door stof en aarde. Inderdaad had hij zooveel gruis over zich heen gegooid, dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde om gemakkelijker overreden of vertrapt te worden.

„Wat is dat? Waarom ligt die man hier op den weg?” vroeg Faustina.

Op ’tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan te roepen: „Weest barmhartig, broeder en zuster, leidt uw paarden en lastdieren over mij heen. Wijkt niet voor mij uit. Trapt mij tot stof! Ik heb onschuldig bloed verraden. Trapt mij tot stof!”

Sulpicius vatte het paard van Faustina bij den teugel en leidde het ter zijde.

„Dat is een zondaar, die boete wil doen,” zei hij. „Laat u dat niet ophouden. Dat is een wonderlijk volk en men moet het zijn gang laten gaan.”

De man op den weg ging voort met roepen: „Zet uw hielen op mijn hart. Laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun hoeven in mijn oogen zetten.”

Maar Faustina vond, dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden zonder te beproeven hem te bewegen op te staan. Zij hield stil naast hem.

De Israëlietische vrouw, die haar vroeger al eens had willen helpen, drong nu weer tot haar door: „Die man hoorde ook tot de leerlingen van den Profeet,” zei ze. „Wilt ge, dat ik hem naar zijn meester vraag?”

Faustina knikte bevestigend, en de vrouw boog zich over den liggende.

„Wat hebt gij, Galileërs, vandaag met uw meester gedaan?” vroeg ze. „Ik zie u verspreid op wegen en paden, maar hem zie ik nergens.”

Maar toen zij hem zoo vroeg, hief de man, die in het stof van den weg lag, zich op de knieën. „Wat is dat voor een boozen geest, die u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen?” zei hij met een stem, waarin de grootste wanhoop klonk. „Ge ziet immers, dat ik mij in het stof van den weg gelegd heb om vertreden te worden. Is dat u nog niet genoeg? Moet ge mij nu ook nog komen vragen wat ik met hem gedaan heb?”

„Ik begrijp niet, wat ge u te verwijten hebt,” zei de vrouw. „Ik wil alleen weten, waar ge uw meester hebt.”

Toen zij de vraag herhaalde, vloog de man op en hield beide handen voor de ooren. „Wee u, dat ge mij niet in vrede kunt laten sterven,” riep hij. Hij baande zich een weg door het volk, dat zich voor de poort verdrong en rende weg, bevend van ontzetting, terwijl zijn verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere vleugels.

„’t Schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen gekomen zijn,” zei Faustina, toen zij den man vluchten zag. Zij was ontstemd door het zien van de leerlingen van dezen profeet. Zou een man, die zulke dwazen onder zijn gezellen had, in staat zijn iets voor den keizer te doen?

Ook de Israëlietische vrouw zag er bedroefd uit, en zij zei met grooten ernst tot Faustina: „Vrouwe, draal niet met hem op te zoeken, dien ge vinden wilt. Ik vrees, dat hem iets kwaads overkomen is, nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen, dat men over hem spreekt.”

Faustina en haar gevolg reden eindelijk onder ’t poortgewelf door en kwamen in nauwe, donkere straten, die overvol van menschen waren. ’t Was bijna onmogelijk daaruit te komen in de stad. De rijdenden moesten keer op keer stilhouden. Slaven en krijgsknechten trachtten te vergeefs wegen te banen. De menschen bleven zich voortspoeden in een dichten, niet te keeren stroom.

„Voorwaar,” zei de oude vrouw tot Sulpicius, „de straten van Rome zijn stille lusthoven in vergelijking met deze.”

Sulpicius zag spoedig in, dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden hen wachtten.

„Op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te loopen dan te rijden,” zei hij. „Als gij niet al te moe zijt, zou ik u willen raden te voet naar het paleis van den landvoogd te gaan. Dat ligt wel ver weg, maar als we moeten rijden, komen we daar zeker niet voor na middernacht.”

Faustina ging dadelijk op dit voorstel in. Zij stapte van het paard en gaf dit over aan een der slaven.

Daarop begonnen de Romeinsche reizigers hun wandeling door de stad.

Dat gelukte hun veel beter. Zij drongen tamelijk vlug door tot het hartje van de stad, en Sulpicius wees Faustina juist een eenigszins breeder straat, die zij bijna bereikt hadden.

„Zie daar, Faustina,” zeide hij, „als wij daar maar komen kunnen, dan zijn we waar we wezen moeten. Die straat loopt recht op onze herberg aan.”

Maar juist toen zij die straat wilden inslaan, ontmoetten zij den eersten hinderpaal. Want op hetzelfde oogenblik, dat Faustina de straat bereikte, die van het paleis van den landvoogd naar de Poort der Rechtvaardigheid en Golgotha liep, leidde men daar langs een gevangene, die weggevoerd werd om gekruisigd te worden.

Voor hem uit haastten zich een schare jonge, woeste menschen, die de terechtstelling wilden zien. Zij joegen springend de straat over, strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien, wat niet alle dagen voorkwam. Achter hen aan kwamen scharen mannen in zijden kleederen, die tot de voornaamsten en meest aristocratischen van de stad schenen te behooren, en daarachter liepen vrouwen,—vele met beschreide gezichten. Een groep armen en kreupelen liepen mee, onder kreten, die de ooren verscheurden.

„O God,” riepen ze. „Red hem! Zend Uw engel om hem te redden! Zend toch een helper in den uitersten nood!”

Eindelijk kwamen eenige Romeinsche krijgslieden op groote paarden. Zij waakten, dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen om hem te bevrijden.

Onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten, die den man, die gekruist moest worden, voortleidden. Zij hadden een groot, zwaar houten kruis over zijn schouders gelegd, maar hij was te zwak voor dezen last. Die drukte hem zóó, dat zijn lichaam geheel tot op den grond gebogen werd. Hij hield het hoofd zóó diep voorover, dat niemand zijn gezicht kon zien.

Faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den zwaren tocht van den terdoodveroordeelde. Verwonderd merkte ze op, dat hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn hoofd gedrukt was.

„Wie is die man?” vroeg zij.

Een van de omstanders antwoordde: „Dat is een, die zich keizer maken wou.”

„Dan moet hij sterven voor iets, dat niet zeer begeerenswaard is,” zei de oude vrouw weemoedig.

De veroordeelde bezweek onder ’t kruis, hij liep al langzamer. De beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen. Maar toen zij dat deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich.

Het gaf een groote opschudding. De Romeinsche soldaten hadden moeite het volk terug te houden. Zij trokken hun zwaard tegen een paar vrouwen, die trachtten haastig voort te komen en den gevallene te helpen. De beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te dwingen tot opstaan, maar hij kon niet om het zware kruis. Eindelijk vatten een paar van hem dat aan om het op te lichten.

Toen hief hij het hoofd op en de oude Faustina kon zijn gezicht zien. Zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn voorhoofd, dat door de doornenkroon gekwetst was, parelden een paar bloeddruppels. Zijn haar hing in verwarde lokken, glibberig van zweet en bloed. Hij hield de tanden vast op elkaar gesloten, maar zijn lippen trilden, alsof ze met moeite een kreet terughielden. Zijn starende oogen waren vol tranen en bijna dof,—gekweld en uitgeput als hij was.

Maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude, als in een visioen, een ander, schoon en bleek, met heerlijke oogen vol majesteit en met zachte trekken. En plotseling werd ze aangegrepen door smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien vreemden man.

„O, wat heeft men U gedaan, gij Arme?” barstte zij uit en ging hem een paar stappen tegemoet, terwijl haar oogen vol tranen schoten. Ze vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van dezen gemartelden Godmensch. Het was haar, alsof haar hart van medelijden zou breken. Zij wilde, als de andere vrouwen, op hem toeloopen, om hem aan zijn beulen te ontrukken.

De gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe. Het was, alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen, die hem vervolgden en kwelden. Hij omvatte haar knieën, hij drukte zich tegen haar aan als een kind, dat bij zijn moeder vlucht.

De oude boog zich over hem heen. En op datzelfde oogenblik, terwijl haar tranen stroomden, voelde zij een zalige vreugde, omdat hij bij haar bescherming was komen zoeken. Zij legde haar eenen arm om zijn hals en, zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt, zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om de tranen en het bloed weg te wisschen. Maar op dat oogenblik waren de beulsknechten gereed met het kruis. Zij kwamen nu en rukten den gevangene naar zich toe. Ongeduldig over het oponthoud, sleepten zij hem voort in woeste haast. De terdoodveroordeelde steunde luid, toen hij werd weggevoerd van de vrijplaats, die hij gevonden had. Maar hij bood geen weerstand. Faustina greep hem om hem vast te houden en toen haar zwakke oude handen niets vermochten, maar ze hem zag wegvoeren, had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en zij riep uit: „Neen, neen, neem hem niet weg van mij. Hij moet niet sterven, hij kan niet sterven!”

Zij voelde de vreeselijkste smart en toorn, omdat hij weggevoerd werd. Zij wilde hem na. Zij wilde met de beulen strijden en hem uit hun handen rukken.

Maar bij den eersten stap, dien ze deed, werd zij door een duizeling en een onmacht overvallen.

Sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande te houden.

Naast de straat zag hij een klein donker winkeltje en hij droeg haar daarin. Er was geen stoel of bank, maar de winkelier was een barmhartig man. Hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de oude een bed op den steenen vloer.

Zij was niet bewusteloos, maar zóó sterk was de duizeling, die haar aangegrepen had, dat ze zich niet op kon houden, maar moest gaan liggen.

„Zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang in de stad zijn te veel voor haar geweest,” zei Sulpicius tegen den koopman. „Zij is heel oud en niemand is toch zoo sterk, dat hij door den ouderdom niet overwonnen wordt.”

„Het is een zware dag, ook voor hen, die niet oud zijn,” zei de koopman. „De lucht is bijna te zwaar om in te ademen. Het zou mij niet verbazen als we een hevig onweer kregen.”

Sulpicius boog zich over de oude heen. Zij was ingeslapen en sliep met rustige, geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen van den dag. Hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien, terwijl hij op haar ontwaken wachtte.

VII.

De Romeinsche landvoogd in Jeruzalem had een jonge vrouw en zij had den nacht voor dat Faustina de stad binnentrok, liggen droomen.

Zij droomde, dat ze op het dak van haar huis stond, en neerzag op de mooie groote binnenplaats, die volgens de Oostersche zeden met marmer geplaveid was en met edele gewassen beplant.

Maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en gebrekkigen, die in de wereld waren. Zij zag de pestzieken met lichamen, door builen opgezwollen, de melaatschen met verteerde aangezichten, de lammen, die zich niet konden verroeren, maar hulpeloos op het veld lagen en al de ellendigen, die jammerden van smart en pijn. En ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele van de voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis.

Eindelijk zag ze, dat een slaaf de deur opende, op den drempel ging staan en zij hoorde, dat hij hun vroeg wat ze wilden.

Toen antwoordden zij hem en zeiden: „Wij zoeken den grooten Profeet, dien God op aarde gezonden heeft. Waar is de Profeet van Nazareth? Hij, die de meester van alle plagen is? Waar is Hij, die ons verlossen kan van al ons lijden?”

Toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon, zooals paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen afwijzen: „Het baat u niets om den grooten Profeet te zoeken. Pilatus heeft hem gedood.”

Toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en tandenknarsen op, dat zij het niet aanhooren kon. Haar hart werd verscheurd door medelijden en de tranen stroomden haar uit de oogen. Maar doordat ze was beginnen te schreien, was ze wakker geworden.

Weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis stond, en ze zag neer op de groote plaats, die zoo breed als een markt was.

En zie, de plaats was vol van alle menschen, die waanzinnig en zielsziek waren en bezeten door booze geesten. En ze zag enkelen, die naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld, en sommigen die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en meenden, dat ze koningen waren. En anderen, die op den grond kropen en meenden, dat ze dieren waren. En weer anderen, die altijd schreiden over een verdriet, dat zij geen naam konden geven. En sommigen, die zware steenen kwamen aanslepen, die ze zeiden, dat van goud waren. En weer anderen, die geloofden, dat booze geesten door hun mond spraken.

Zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis. En zij, die het dichtst bij stonden, klopten en bonsden om binnen te komen. Eindelijk werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg hun: „Wat verlangt ge?”

Toen begonnen allen te roepen en zeiden:

„Waar is de groote Profeet van Nazareth, Hij, die door God gezonden is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven?”

Zij hoorde, dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon van de wereld: „Het dient nergens toe, dat ge den grooten Profeet zoekt, Pilatus heeft hem gedood.”

Toen dit gezegd werd, gaven al de waanzinnigen een kreet, die klonk als het brullen van wilde dieren, en in hun vertwijfeling begonnen zij zich zelf te verwonden, zoodat het bloed op de steenen vloot, en toen zij, die droomde, hun ellende zag, begon ze haar handen te wringen en te jammeren. En ze werd wakker van haar eigen gejammer.

Maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op het dak van haar huis. En om haar heen zaten haar slavinnen, die op de cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden.

Terwijl ze daar zat, sprak een stem tot haar: „Ga naar de balustrade, die het dak omgeeft en zie neer op de binnenplaats.”

Maar in den droom weigerde zij, en zeide: „Ik wil niets meer zien van allen, die vannacht op mijn binnenplaats komen.”

Op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout, dat op hout sloeg. Haar slavinnen hielden op met zang en spel, haastten zich naar de balustrade en keken naar beneden.

En zij zelf kon ook niet blijven zitten, maar ging daarheen en zag neer op de binnenplaats.

Toen zag ze, dat de plaats in haar huis vol was met al de arme gevangenen van de wereld.

Zij zag hen, die anders in donkere gevangenissen lagen, gekluisterd met zware ijzeren ketenen.

Zij zag hen, die in de donkere groeven arbeidden, en nu kwamen aansleepen met hun mokers.

En zij, die roeiers waren op oorlogsschepen, kwamen met hun zware roeiriemen van ijzer gesmeed.

En zij, die veroordeeld waren om te worden gekruisigd, kwamen met hun kruisen en zij, die onthoofd moesten worden met hun bijlen.

Zij zag hen, die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen en wier oogen brandden van heimwee. Zij zag alle ellendige slaven, die moesten werken als lastdieren, en wier ruggen bloedig waren van geeselslagen.

Al die ongelukkigen riepen uit één mond en zeiden: „Doe open! doe open!”

Toen trad de slaaf, die den ingang bewaakte, naar buiten en hij vroeg hun: „Wat is het dat gij verlangt?”

En dezen antwoordden als de anderen:

„Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die op aarde gekomen is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun geluk.”

De slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht:

„Ge kunt hem hier niet vinden, Pilatus heeft hem gedood.”

Toen dit gezegd was, was het haar, die droomde, alsof al die ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon, dat zij voelde, hoe hemel en aarde trilden. Zij zelf voelde zich versteend van schrik, en zulk een schok ging door haar lichaam, dat ze ontwaakte.

Toen ze nu goed wakker was, ging zij overeind in bed zitten en zei in zichzelf: „Ik wil niet meer droomen. Nu wil ik mij den heelen nacht wakker houden, zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef te zien.”

Maar bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze dat dacht, had de slaap haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en was ingeslapen.

Weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis zat, en haar zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal.

Toen hoorde ze een stem, die tot haar sprak: „Ga naar de balustrade, die ’t dak omgeeft en zie, wie het zijn, die op de plaats staan te wachten.”

Maar zij, die droomde, zeide in zichzelf: „Ik heb vannacht zooveel ellende gezien, ik kan niets meer verdragen. Ik wil blijven waar ik ben.”

Op ’tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo, dat die buiten de balustrade viel, en het kind sprong er op toe en klom op het hek. Toen werd zij bang, ze sprong op en greep het kind.

Maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden te werpen en weer zag zij, dat de plaats vol menschen was.

En daar waren al de menschen der aarde, die in den oorlog gewond waren. Zij kwamen met verminkte lichamen, met afgehouwen ledematen en met groote open wonden, waaruit bloed vloeide, zoodat de heele plaats er door overstroomd werd.

En daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde, die hun geliefden op het slagveld verloren hadden. Het waren de vaderloozen, die hun verdedigers betreurden en de jonge vrouwen, die om haar geliefden riepen, en de ouden, die om hun zonen zuchtten.

Die het meest vooraan stonden, drongen naar de deur en de poortwachter kwam zooals te voren en opende de deur.

En hij vroeg allen, die in twisten en gevechten gewond waren: „Wat zoekt gij in dit huis?” En zij antwoordden: „Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die strijd en oorlog verbieden zal en vrede op aarde brengen. Wij zoeken hem, die de speer tot een zeis zal maken en het zwaard tot een wijngaardmes.”

Toen antwoordde de slaaf: „Laat nu niet meer menschen mij komen plagen, ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd: „De groote Profeet is hier niet. Pilatus heeft hem gedood.”” Daarop sloot hij de poort. Maar zij, die droomde, dacht aan al het gejammer, dat nu komen zou. „Ik wil het niet meer hooren,” zei ze en snelde weg van de balustrade. Op ’tzelfde oogenblik werd zij wakker en toen merkte ze, dat zij in haar schrik uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was.

Weer had zij gedacht, dat zij dien nacht niet meer slapen wou en weer had haar de slaap overmand, zoodat zij haar oogen gesloten had en was beginnen te droomen.

Weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man, en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit.

En weer hoorde ze een stem, die tot haar sprak: „Ga naar de menschen zien, die op uw binnenplaats wachten.”

Maar zij dacht: „Ik wil ze niet zien. Ik heb vannacht ongelukkigen genoeg gezien.”

Op ’tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort en haar man ging naar de balustrade om te zien wie het was, die in zijn huis verlangde binnen te komen. Maar nauwelijks had hij zich over het hek gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen.

„Kent gij dien man niet?” vroeg hij en wees naar beneden.

Toen zij naar beneden zag op de binnenplaats, merkte zij, dat die vol was van ruiters en paarden. Slaven waren bezig ezels en kameelen te ontdoen van hun lasten. Het scheen, dat een voornaam reiziger was aangekomen.

Aan den ingang stond de reiziger. Hij was een groot oud man met breede schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk.

De droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar man toe: „Dat is Caesar Tiberius, die naar Jeruzalem gekomen is. Het kan niemand anders zijn.”

„Ik meen hem ook te herkennen,” zei haar man en legde dadelijk den vinger op den mond als een teeken, dat ze stil moesten zijn en luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd.

Ze zagen, dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg: „Wien zoekt gij?”

En de reiziger antwoordde: „Ik zoek den grooten Profeet van Nazareth, die begiftigd is met Gods wonderdoende kracht. Keizer Tiberius roept hem, opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke ziekte, die geen ander geneesmeester wegnemen kan.”

Toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei: „Heer, wees niet vertoornd, maar uw wensch kan niet vervuld worden.”

Toen wendde zich de keizer tot zijn slaven, die achteraan op de plaats wachtten en gaf hun een bevel.

Toen haastten zich de slaven; sommigen hadden de handen vol versiersels, anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen, anderen sleepten met zakken vol gouden munten. De keizer wendde zich tot den slaaf, die de poort bewaakte en zeide: „Dit alles zal ’t zijne zijn, als hij Tiberius bijstaat. Hiermee kan hij al den armen der aarde rijkdom geven.”

Maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te voren en zeide: „Heer, wees niet vertoornd op uw dienaar, maar uw begeerte kan niet worden vervuld.”

Toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen kwamen haastig aan met een rijk geborduurd kleed, waarop een borststuk van juweelen glinsterde.

En de keizer sprak tot den slaaf: „Zie hier. Wat ik hem aanbied is de macht over Judea. Hij zal zijn volk besturen als de hoogste rechter, als hij mij maar volgt en Tiberius geneest.”

Maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak: „Heer, het staat niet in mijn macht u te helpen.”

Toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met een gouden hoofdring en een purperen mantel.

„Zie,” sprak hij, „dit is de wil des keizers. Hij belooft hem te benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de wereld te geven. Hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen volgens den wil van zijn God. Als hij maar van te voren zijn hand uitsteekt en Tiberius geneest.”

Toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak jammerend:

„Het staat niet in mijn macht U te gehoorzamen. Hij, dien gij zoekt, is niet meer hier, Pilatus heeft hem gedood.”

VIII.

Toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder dag en haar slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met aankleeden. Zij was heel stil, terwijl zij zich kleedde, maar eindelijk vroeg zij de slavin, die haar kapte of haar man al op was. Zij hoorde toen, dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger.

„Ik had hem graag willen spreken,” zei de jonge vrouw.

„Meesteres,” zei de slavin, „dat gaat moeilijk nu midden onder het rechtsgeding. Wij zullen u bericht brengen zoodra het afgeloopen is.”

Zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was. Toen vroeg ze: „Heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit Nazareth?”

„De Profeet van Nazareth! Dat is een Joodsch wonderdoener,” antwoordde dadelijk een der slavinnen.

„Dat is wonderlijk, Meesteres, dat gij vandaag naar hem vraagt,” zei een andere slavin. „Hij is het juist, dien de Joden hier naar het paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te laten verhooren.”

Zij beval dadelijk, dat ze zouden gaan hooren, waarvoor hij was aangeklaagd. En een van de slavinnen verwijderde zich.

Toen zij terugkwam zei ze: „Ze klagen hem aan, omdat hij zich tot koning over dit land maken wil en zij roepen, dat de landvoogd hem moet laten kruisigen.”

Maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde, werd zij zeer verschrikt en zeide: „Ik moet mijn man spreken! anders gebeurt hier vandaag een ontzettend ongeluk.”

Toen de slavinnen haar nog eens zeiden, dat dit onmogelijk was, begon ze te beven en te schreien, en een van haar werd bewogen, zoodat ze zei:

„Als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den landvoogd, zal ik trachten hem die te brengen.”

Zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een wastafeltje, en dat werd aan Pilatus overgebracht.

Maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag, want toen hij de Joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar de gerechtsplaats, was het tijd voor den maaltijd, en daarvoor had Pilatus een paar van de Romeinen uitgenoodigd, die in dien tijd in Jeruzalem waren. Het waren de aanvoerder van de troepen, een jonge leeraar in de welsprekendheid en nog een paar anderen.

Die maaltijd was niet heel opgewekt, want de vrouw van den landvoogd zat zwijgend en ontstemd, zonder aan het gesprek deel te nemen.

Toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was, vertelde de landvoogd lachend van de boodschap, die ze hem dien morgen gezonden had, en hij schertste er over, dat zij gemeend had, dat een Romeinsch landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten leiden door de droomen van een vrouw.

Zij antwoordde stil en bedroefd: „Voorwaar, dit was geen droom, maar een waarschuwing, door de goden gezonden. Gij hadt tenminste den man dezen eenen dag nog in ’t leven moeten laten.”

Zij zagen, dat ze werkelijk bedroefd was. Zij wilde zich niet laten troosten, hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten.

Maar na een poos hief een van hen ’t hoofd op en zei: „Wat is dat? Hebben we zóó lang aan tafel gezeten, dat de dag al voorbij is?”

Allen zagen nu op, en zij merkten, dat een zwakke schemering daalde. ’t Was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel, dat over alle dingen en alle wezens ligt, zachtkens uitdoofde, zoodat alles eentonig grijs scheen.

Evenals al ’t andere verloren ook hun eigen aangezichten hun kleur.

„Wij zien er uit als dooden”, zei de jonge redenaar met een rilling. „Onze wangen zijn grauw en onze lippen zwart.”

Terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge vrouw toe.

„Ach, liefste!” riep ze eindelijk uit, „ziet ge nu nog niet in, dat de onsterfelijken u willen waarschuwen? Zij zijn vertoornd, omdat ge een heilig en onschuldig man ter dood hebt veroordeeld! Ik denk, dat, al is hij nu misschien al aan ’t kruis geslagen, hij nog niet gestorven is. Laat hem afnemen van het kruis. Ik wil met eigen handen zijn wonden verbinden. Sta alleen toe, dat hij in ’t leven teruggeroepen wordt.”

Maar Pilatus antwoordde lachend: „Zeker hebt gij gelijk, dat dit een teeken van de goden is. Maar zij laten de zon haar glans niet verliezen, omdat een Joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood veroordeeld is. Daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen verwachten, die het geheele rijk betreffen. Wie kan weten, hoelang nog de oude Tiberius...”

Hij voltooide den zin niet, want de duisternis was zóó diep geworden, dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien staan. Hij hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te brengen.

Toen het zoo licht geworden was, dat hij het gezicht van zijn gasten zien kon, kon hem de ontstemming, die zich van hen meester maakte, onmogelijk ontgaan.

„Zie nu eens,” zei hij tot zijn vrouw. „Nu komt’ t mij voor, dat het u gelukt is ons genoegen te bederven met uw droomen. Maar als ge nu eenmaal aan niets anders denken kunt, laat ons dan liever hooren, wat ge gedroomd hebt. Vertel het ons en wij zullen beproeven de bedoeling te begrijpen.”

Hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid. En terwijl zij ’t eene visioen na het andere vertelde, werden haar gasten al ernstiger. Zij lieten hun bekers onaangeroerd staan en er kwamen rimpels in hun voorhoofd. De eenige, die bleef lachen en alles onzin noemde, was de landvoogd zelf.

Toen ’t verhaal uit was, zei de jonge redenaar: „Voorwaar, dat is meer dan een droom, want ik heb vandaag niet den keizer, maar zijn oude vriendin Faustina de stad zien binnentrekken. Het verwondert mij alleen, dat zij zich nog niet heeft vertoond in ’t paleis van den landvoogd.”

„Er loopt werkelijk een gerucht, dat de keizer door een vreeselijke ziekte is aangetast,” merkte de aanvoerder op. „’t Komt ook mij mogelijk voor, dat de droom van uw vrouw een waarschuwing is, door de goden gezonden.”

„’t Is in ’t geheel niet ongelooflijk, dat Tiberius iemand tot den Profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed te roepen,” stemde de jonge redenaar toe.

De aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot Pilatus en sprak: „Als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen wonderdoener bij zich te roepen, is het beter voor u en voor ons allen, dat hij hem in ’t leven vindt.”

Pilatus antwoordde half boos: „Is ’t die duisternis, die u allen tot kinderen maakt? Men zou denken, dat ge allen droomuitleggers en profeten geworden waart.”

Maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen: „’t Zou misschien niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden, als ge een ijlbode zondt.”

„Ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken,” antwoordde de landvoogd. „Zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht en orde hier in ’t land, als men hoorde, dat de landvoogd een misdadiger genade schonk, omdat zijn vrouw een akeligen droom had gehad.”

„’t Is waarheid, en geen droom, dat ik Faustina in Jeruzalem gezien heb,” zei de jonge redenaar.

„Ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer verdedigen,” zei Pilatus. „Hij zal wel begrijpen, dat deze dweper, die zich, zonder weerstand te bieden, door mijn knechten liet mishandelen, hem niet had kunnen helpen.”

Op ’tzelfde oogenblik, dat hij deze woorden uitsprak, dreunde het huis als door een geweldigen rollenden donderslag, en een aardbeving deed het veld schudden. ’t Paleis van den landvoogd bleef onbeschadigd staan, maar gedurende de minuten, die de aardbeving duurde, hoorde men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van instortende huizen en vallende pilaren.

Zoodra een menschenstem zich kon laten hooren, riep de landvoogd een slaaf.

„Haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam, dat de Profeet van Nazareth van het kruis genomen moet worden.”

De slaaf spoedde zich weg. Het gezelschap begaf zich uit de eetzaal naar de zuilengang, om onder den blooten hemel te zijn als de aardbeving zich herhaalde. Niemand durfde een woord spreken. Allen wachtten op de terugkomst van den slaaf.

Die kwam spoedig terug. Hij bleef voor den landvoogd staan.

„Vondt ge hem nog in leven?” vroeg deze.

„Heer, hij was gestorven, en op het oogenblik dat hij den geest gaf, kwam de aardbeving.”

Nauwelijks was dit gezegd of een paar harde slagen klonken op de buitenste poort. Toen zij dit hoorden, sprongen allen op, alsof er een nieuwe aardbeving gekomen was.

Onmiddellijk daarna naderde een slaaf: „Het is de oude Faustina en Sulpicius, de bloedverwant van den keizer. Zij zijn gekomen om u te vragen hen te helpen om den Profeet van Nazareth op te zoeken.”

Er ging een zacht geruisch door de zuilengang en lichte stappen werden gehoord. Toen de landvoogd omzag, merkte hij, dat zijn vrienden zich van hem teruggetrokken hadden, als van iemand over wien het ongeluk gekomen is.

IX.

De oude Faustina was aan land gestapt in Capri en had den keizer opgezocht. Zij had hem alles verteld en terwijl ze sprak, durfde zij hem bijna niet aanzien. In haar afwezigheid was de ziekte op de vreeselijkste wijze toegenomen, en ze dacht: „Als er barmhartigheid bij de goden geweest was, zouden zij me hebben laten sterven eer ik dezen armen, gemartelden mensch zeggen moest, dat alle hoop voorbij is.”

Tot haar verbazing luisterde Tiberius met de grootste onverschilligheid naar haar. Toen ze vertelde hoe de groote wonderdoener gekruisigd was op denzelfden dag, dat zij in Jeruzalem aankwam, en hoe zij hem bijna gered had, begon zij te schreien door de pijn van die teleurstelling.

Maar Tiberius zei alleen:

„Treurt ge hier werkelijk over! Ach Faustina, heeft een heel leven in Rome u dan nog niet afgebracht van het geloof aan toovenaars en wonderdoeners, dat ge in uw kindsheid in de Sabijnerbergen hebt opgedaan?”

Toen zag de oude in, dat Tiberius nooit eenige hulp van den profeet van Nazareth verwacht had.

„Waarom liet ge mij die reis naar dat verre land doen als ge aldoor meendet dat het nutteloos zou zijn?”

„Gij zijt de eenige vriend, die ik bezit,” zei de keizer. „Waarom zou ik u een verzoek weigeren, zoolang ik de macht heb dit in te willigen?”

Maar de oude was er door gekwetst, dat de keizer haar misleid had.

„Dat is weer uw oude listigheid,” viel zij uit. „Dat is juist wat ik u ’t allerminst vergeven kan.”

„Ge hadt niet bij mij terug moeten komen,” zei Tiberius. „Ge hadt in uw bergen moeten blijven.”

Een oogenblik scheen het alsof die twee menschen, die al zoo dikwijls getwist hadden, weer tot een woordenstrijd zouden komen, maar de toorn van de oude vrouw was spoedig overgedreven. De tijd was voorbij, dat ze in ernst met den keizer twisten kon. Zij sprak zachter, hoewel ze nog niet laten kon een poging te wagen om gelijk te krijgen.

„Maar de man was werkelijk een profeet,” zei ze. „Ik heb hem gezien. Toen zijn oogen de mijne ontmoetten, geloofde ik, dat hij een god was. Ik was waanzinnig, toen ik hem in den dood liet gaan.”

„Ik ben blij, dat ge hem sterven liet,” antwoordde Tiberius. „Hij was een Majesteitsschenner en een oproerstichter.”

Weer was Faustina bijna boos geworden.

„Ik heb met veel van zijn vrienden te Jeruzalem over hem gesproken,” zei ze. „Hij heeft de misdaden, waarvoor hij is aangeklaagd, niet begaan.”

„Al heeft hij nu ook juist die misdaden niet begaan, dan is hij toch zeker niet beter dan iemand anders,” zei de keizer mat. „Waar is de mensch, die niet duizendmaal in zijn leven den dood verdient.”

Maar deze woorden van den keizer deden Faustina besluiten iets te doen, waarvoor ze tot nu toe nog teruggedeinsd was.

„Ik zal u toch een bewijs van zijn macht geven,” zeide ze. „Ik zei u daar straks, dat ik mijn zweetdoek over zijn gezicht legde. Dat is dezelfde doek, dien ik nu in mijn hand heb. Wilt ge dien een oogenblik bekijken?”

Zij spreidde den zweetdoek voor den keizer uit en hij zag daarop flauw het beeld van een menschengezicht.

De stem van de oude beefde van ontroering toen ze voortging: „Die man zag, dat ik hem liefhad. Ik weet niet door welke macht hij in staat was mij zijn beeld achter te laten. Maar mijn oogen komen vol tranen, zoo dikwijls ik het zie.”

De keizer boog zich voorover en zag naar het beeld, dat scheen geteekend met bloed en tranen en de zwarte schaduwen van de smart. Langzamerhand kwam het geheele gezicht voor hem op, zooals het op den zweetdoek was afgedrukt. Hij zag de bloeddroppels op het voorhoofd, de stekende doornenkroon, het haar, kleverig van bloed, en den mond, waarvan de lippen van lijden schenen te trillen.

Hij boog zich al dieper over het beeld. Al helderder en helderder kwam het gezicht te voorschijn en uit de schaduwachtige omtrekken zag hij opeens de oogen stralen, als van een verborgen leven. En op denzelfden tijd, dat ze tot hem spraken van het vreeselijkste lijden, toonden ze hem een reinheid en hoogheid, zooals hij nooit te voren had aanschouwd.

Hij lag op zijn rustbank en dronk het beeld met zijn oogen in. „Is dit een mensch?” zei hij, zacht en week. „Is dit een mensch?”

Weer lag hij stil naar het beeld te staren. De tranen begonnen over zijn wangen te stroomen. „Ik treur over uw dood, gij onbekende,” fluisterde hij.

„Faustina,” riep hij eindelijk uit, „waarom hebt gij dien mensch laten sterven! Hij zou mij genezen hebben.”

En weer verzonk hij geheel in ’t beschouwen van het beeld.

„Gij, mensch!” zeide hij na een poos. „Als ik van u mijn gezondheid niet herkrijgen kan, dan kan ik u toch wreken. Zwaar zal mijn hand rusten op hen, die mij u ontstolen hebben.”

Weer bleef hij lang liggen. Toen liet hij zich op den vloer glijden en viel voor het beeld op de knieën.

„Gij zijt de mensch!” zei hij. „Gij zijt, wat ik niet geloofd heb ooit te zullen zien.” En hij wees op zichzelf, op zijn verwoest gezicht en verteerde handen. „Ik en anderen zijn wilde dieren en monsters, maar gij zijt de mensch!”

Hij boog het hoofd zoo diep over ’t beeld, dat hij den grond raakte.

„Erbarm u over mij, gij onbekende,” zei hij, en zijn tranen bevochtigden de steenen. „Als gij in ’t leven gebleven waart, zou uw aanblik alleen mij genezen hebben.”

De arme oude vrouw schrikte van wat zij gedaan had. ’t Was beter geweest, als zij den keizer het beeld niet had laten zien, meende zij. Zij was van den beginne af bang geweest, dat zijn smart te groot zou zijn als hij het zag.

En in haar wanhoop over het verdriet van den keizer, trok zij het beeld naar zich toe, als om het uit zijn oogen weg te nemen.

Toen zag de keizer op. En zie, zijn gezicht was geheel veranderd, en hij was zooals hij vroeger geweest was. ’t Was alsof de ziekte wortel geslagen had in de haat en verachting voor de menschen, die in zijn hart gewoond hadden, en ze had moeten wijken op het oogenblik, dat hij liefde en medelijden voelde.

Den volgenden dag zond Tiberius drie boden af.

De eerste bode ging naar Rome, met het bevel dat de senaat een onderzoek in zou stellen naar de wijze waarop de landvoogd in Palestina zijn ambt bekleedde, en hem straffen als het mocht blijken, dat hij het volk verdrukte of onschuldigen ter dood veroordeelde.

De tweede ging naar den arbeider en zijn vrouw om hen te beloonen en te danken voor den raad, dien zij den keizer gegeven hadden en om hun tevens te zeggen hoe alles was afgeloopen. Toen ze alles gehoord hadden, schreiden ze stil en de man zei: „Ik weet, dat ik er heel mijn leven over peinzen zal wat er gebeurd zou zijn, als deze twee elkaar hadden ontmoet.”

Maar de vrouw antwoordde: „Het kon niet anders zijn. ’t Was een te groote gedachte dat deze twee elkaar zouden ontmoeten. God, de Heer, wist dat de wereld dit niet zou kunnen dragen.”

De derde bode ging naar Palestina en bracht van daar eenige van Jezus’ leerlingen naar Capri, en deze begonnen daar de leer te verkondigen, die de gekruiste gepredikt had.

Toen deze leeraren op Capri aankwamen lag de oude Faustina op haar sterfbed. Maar zij konden haar nog vóór haar dood tot een discipel van den Profeet maken en haar doopen. En zij noemden haar Veronica, omdat het haar gegeven was aan de menschen het ware beeld van hun Verlosser te brengen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings