← Table of contents
Castilië en Andalusië

Castilië en Andalusië. (continued 2)

Reading edition

Teleurgesteld door de bezwaren, welke zij hier ontmoette, en die haar beletten, een strengeren levensregel te volgen, verliet Theresa het gesticht, en vormde, geholpen door eenige harer familieleden, de kleine vereeniging der ongeschoeide Karmelieten, onder de bescherming van den heiligen Jozef, met het voornemen, den vroegeren eenvoud der orde weder te herstellen. Deze stap wekte heftige verontwaardiging bij de overige Karmelieter zusters, die hierdoor op haar eigen gedrag een blaam zagen geworpen, welke haar onverdiend scheen, daar het gebruik hare overtredingen reeds in zekere mate had gewettigd. Nog veel heftiger werd haar verzet, toen, na een bezoek van den voorganger der Orde aan het klooster van St. Jozef, aan zuster Theresa werd verzocht, het bestuur van die inrichting aan een der andere nonnen over te laten, om zelf als priores aan het hoofd te staan van het klooster der Incarnatie. Eenparig besloten de zusters de indringster niet binnen hare muren te dulden, en zij gingen zelfs zoover, de verdediging der kloosterpoort op te dragen aan eenige bevriende edellieden, die er vrijelijk toegang hadden. Na lange overleggingen besloten deze trouwe wachters, een weinig in het nauw gebracht door de priestelijke bedreigingen, den overste der orde door een zijdeur binnen te laten, om hem zoodoende gelegenheid te verschaffen, openlijk in de kapel de acte te kunnen voorlezen, waarbij Theresa als abdis werd aangesteld. Doch thans ontstond een geweldig rumoer, en terwijl twaalf van de zusters, kruisen en banieren dragend, zich een weg zochten te banen naar het koor, waar de nieuw benoemde abdis zou moeten plaats nemen, overstemde het driftig geschreeuw van tweehonderd woedende vrouwen de woorden van den overste, die te vergeefs stilte gebood. Theresa lag intusschen biddend voor het altaar geknield. Haar kalm en waardig gedrag en haar verzoenende houding verzachtten de stemming van enkele der zusters, die zich door haar zachten invloed gunstiger lieten stemmen.

De volgende dagen echter kenmerkten zich door een lijdelijk verzet, een ijzige koelheid en stijfhoofdigheid van den kant der zusters, waarop alle pogingen tot verzoening moesten afstuiten. Toen Theresa voor het eerst den zetel der abdis in het koor zou innemen, plaatste zij daarin een beeld van de heilige Maagd, met de sleutels van het klooster in de hand, en zette zich neer aan de voeten der moeder Gods. Door dit bewijs van nederigheid getroffen en ontwapend, luisterden de nonnen thans met meer gewilligheid naar de aandoenlijke en ernstige toespraak harer nieuwe superieure, die haar herinnerde aan de jaren, waarin zij als een zuster onder haar had verkeerd, en gaarne beloofde, niet streng te zullen optreden, en nooit te zullen vergeten, dat zij hier aan het hoofd geplaatst was van een vereeniging, die bijzondere voorrechten genoot. Werkelijk wist zij door toegevendheid en geduld haar positie niet alleen te handhaven; doch gaandeweg vele verbeteringen aan te brengen en misbruiken uit den weg te ruimen. Zoo werden o. a. guitaar en clavecimbel verbannen; het dansen en komedie spelen afgeschaft; en de al te behaagzieke kleederdracht, de sierlijke kappen en kragen, verwisseld voor een eenvoudiger en stemmiger gewaad, met welke verandering zij wijselijk bij de oudste en het minst aan pronk gehechte zusters een aanvang maakte. De vriendschappelijk gezinde edellieden waren met deze wijzigingen minder ingenomen; doch tegen hen trad Theresa vrijwat strenger op. Zij dreigde zelfs, den koning, ja, zoo noodig, den Paus te hulp te roepen, als zij zich niet goedschiks wilden terugtrekken. Van toen af had het publiek in het klooster der Incarnatie geen vrijen toegang meer.

Zoo had Theresa haar eerste groote moeilijkheid overwonnen. Maar door hoeveel zwaren strijd zou deze niet worden gevolgd; hoeveel grooter en gevaarlijker struikelblokken zouden, gedurende de dertig jaren van haar apostelschap, Theresa den moeilijken langen weg niet versperren, waarop zij thans de eerste schreden had gezet. Het was een bezwaarlijke tocht, dien zij ondernam door de woeste bergstreken van Spanje, afwisselend blootgesteld aan uitersten van koude en hitte, zonder andere reisgezellen dan hoop, geloof en armoede, en met het eenig doel, hervorming en verbetering te brengen in onwaardige toestanden, ijdele vreugde te doen plaats maken voor gebed, zinledig gebabbel voor plechtig stilzwijgen, en wereldsche vermaken voor stichtelijke overpeinzing.

“Ons voertuig is ons kerk en klooster beide,” zeide de H. Gregorius tot zijn makkers, die psalmzingend met hem de arabische woestijn doortrokken. Datzelfde had Theresa op haar omzwervingen tot haar gezellinnen kunnen zeggen. Zij droeg wijwater mede, om den weg te besprenkelen, een beeld van het Jezuskind, om den uittocht naar Egypte in herinnering te brengen, een bel om te luiden voor de godsdienstoefening, en een zandlooper, om nauwkeurig de uren te bepalen, waarin strikt stilzwijgen was voorgeschreven. Welk een bezielend voorbeeld gaf die kleine gemeente, die zonder geld, zonder levensmiddelen, bijna zonder voldoende kleeding langs bergen en door dalen haars weegs ging, vertrouwend op hulp van boven, en in de vaste overtuiging, haar liefdewerk tot een goed eind te zullen voeren. Moeilijkheden en bezwaren wakkerden steeds Theresa’s ijver aan, in plaats van dien te doen verflauwen. Van dezen eigenaardigen karaktertrek getuigen voortdurend haar persoonlijke uitingen, zooals die in haar brieven zijn bewaard gebleven, een letterkundige nalatenschap van groote waarde, en de heerlijkste openbaring van mystieke vroomheid. Haar geheele ziel ligt in die bladzijden voor ons open.

Men heeft zich met recht verwonderd over het feit, dat Theresa, die in geestvervoering, visioenen, gebed en prediking niet alleen, maar ook onder arbeid van allerlei aard haar dagen en nachten placht te slijten, terwijl zij door velerlei beslommeringen werd gekweld, toch zulk een heldere, eenvoudige, treffende wijze van uitdrukking voor haar gedachten wist te vinden, zoodat haar volmaakte stijl ons thans nog met bewondering vervult. Haar vroegste opvoeding had haar zeer zeker niet in staat kunnen stellen, haar gedachten in dien onberispelijken vorm te kleeden. De ridderromans, die haar moeder gaarne las, en de godsdienstige werken, die haar oom haar te leen gaf, werkten misschien in haar jeugd op haar vurige verbeelding. Doch als zij haar diepere gemoedsbewegingen wilde schilderen, behoefde zij slechts in te keeren tot haar eigen hart, en daar ons rond te leiden te midden der verborgen schatten van dat heiligdom, met een oprechtheid, een overgave, een natuurlijke waardigheid, die als van zelf alle onnatuur of overdrijving buitensloot.

Het proza harer brieven is doorzichtig helder, en weerspiegelt als het ware alle wisselingen des hemels in zijn liefdevollen en verheven drang naar het goddelijke.

Tevens verraadt zich overal de vrouw van edele afkomst en beschaafde vormen, in haar natuurlijke terughouding, haar gelukkige woordenkeus en gekuischtheid van uitdrukking, terwijl ondanks het waas van heiligheid, dat haar omstraalt, haar simpel vrouw-zijn eene bekoring te meer uitmaakt van haar innemende persoonlijkheid. Zelve geheel vrouw, wenscht zij, dat haar geestelijke dochters sterker zullen zijn dan zij zelve, daar zij zegt: “Gij moet u in acht nemen voor die liefkoozende uitdrukkingen, die in de wereld zoo dikwijls worden gebezigd, als ‘mijn leven, mijn ziel, mijn hoogste goed,’ want hoe zoudt gij dan God moeten toespreken? Ik weet wel, dat vrouwen gewoon zijn, zoo te spreken; maar ik kan niet wel verdragen, dat gij als vrouwen wordt beschouwd. Ik wenschte u sterk te zien als mannen.... als sterke mannen....”

Misschien heeft geen der mystieke schrijvers zulk een belangrijk werk nagelaten als de H. Theresa, of zich, als zij, mogen verheugen in trouwe leerlingen en navolgers, die zich met de uitgaaf harer gedenkschriften hebben belast.

Haar biechtvaders trachtten wel enkele gedeelten te wijzigen, die tot misvatting aanleiding zouden kunnen geven, doch gelukkig werden hun de geschriften ontnomen en toevertrouwd aan den geleerden Augustijner monnik, Fra Luis de Leon. Zelf geleerde, dichter en bijbelverklaarder, in zijn vertaling van het Hooglied; mysticus en wijsgeer, door zijn werk “de namen van Christus”; fijn menschenkenner, getuige zijn leerdicht “de volmaakte Echtgenoote,” begreep de begaafde man, dat de taal, waarin de H. Theresa zich uitdrukte, eer een hemelsche dan een aardsche taal genoemd mocht worden, en dat in haar werk niets mocht worden weggelaten, tenzij zij zelve dit had geschrapt.

“Op vele plaatsen,” zegt hij, “komt het mij voor, dat zij het niet is, die tot mij spreekt; maar de H. Geest, die zich door haar openbaart.”

Nadat hij haar werken in het licht had gegeven, wilde Fra Luis, bezield door zijn heerlijk onderwerp, het leven beschrijven der heilige, die hij vereerde, en wier zieleleven hij had verstaan. Doch de dood nam hem weg, eer hij die schoone taak had kunnen volvoeren.

Bij het verlaten van het klooster zagen wij nog in een gebouw, dat buiten de eigenlijke kloostermuren lag, een beeld van de H. Theresa, gehuld in een fluweelen, rijk met goud geborduurden mantel, en met den doctorshoed boven op den conventioneelen sluier, die haar hoofd bedekt. Het gelaat was hier vol, jeugdig en frisch, zeer verschillend van het portret, dat in het Ayuntamiento-paleis wordt bewaard, en dat in 1581 naar het leven werd geschilderd, toen Theresa reeds zeventig jaar was, en ondermijnd werd door de kwaal, die haar een jaar later ten grave sleepte. De oogen zijn vol uitdrukking; maar het gelaat vertoont geen sprekende trekken, noch een krachtig karakter; het doet eenigszins aan de oudere portretten van George Sand denken.

Het beeld van Don Juan ligt uitgestrekt op een prachtige marmeren tombe.
Het beeld van Don Juan ligt uitgestrekt op een prachtige marmeren tombe.

Het beeld van Don Juan ligt uitgestrekt op een prachtige marmeren tombe.

De heilige vrouw was niet zeer ingenomen met haar conterfeitsel, en moet, toen het af was, tot den meer goedwilligen dan bekwamen schilder hebben gezegd: “De Heer vergeve u, broeder Juan; want Hij alleen weet, hoe gij mij met die zittingen hebt geplaagd, en ten slotte hebt gij mij ook nog leelijk en met bolle oogen uitgeschilderd.”

Haar beminnelijke oprechtheid vond eens uiting in de volgende woorden: “Toen ik jong was, noemde men mij schoon, en ik geloofde dat gaarne. Later zeide men mij, dat ik verstandig was, en dat geloofde ik eveneens; doch de tijd kwam, dat ik berouw had over die ijdele inbeeldingen. Nu verklaart men mij voor een heilige; maar thans verbeeld ik mij niet meer, dat het waarheid is.”

Gelukkig de geschiedschrijver en philosoof, die rustig zijn tenten zou kunnen opslaan in de buurt van dat klooster en er in alle kalmte de werken zou kunnen bestudeeren van de onvergelijkelijke voorgangster der Karmelieten. Hij zou niet alleen baat vinden voor zijn ziel, maar tevens, beter dan uit tal van kronieken, den geest leeren kennen, die het zestiende-eeuwsche Spanje bezielde, en waarvan Theresa een der nobelste draagsters is geweest. Zij was in waarheid de belichaming der christelijke gedachte. Macaulay heeft gezegd, dat het protestantisme sedert de zestiende eeuw geen duimbreed gronds had gewonnen. Als de H. Ignatius de held der verdediging van het Katholicisme mag genoemd worden, dan is de H. Theresa voorzeker er het hart van geweest.

Illustration from Castilië en Andalusië De Aarde en haar Volken, 1909
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings