De vrouwen van Amerika1.
Reading edition
De vrouwen van Amerika1.
Met het vermoeden in Amerika alles anders te zullen vinden dan in Europa en er vooral een geheel ander, hooger ontwikkeld, meer begaafd, minder bekrompen soort vrouwen te zullen aantreffen, zette ik mijn voet op Amerikaanschen bodem. Thans na een 6 weken verblijf, waarin ik de gelegenheid had met vrouwen uit alle kringen en uit verschillende Staten in aanraking te komen, wil ik voor de lezers van het Maandblad mijn indrukken wedergeven. Ik ben natuurlijk volstrekt niet overtuigd, dat deze indrukken niet na een langer verblijf alhier gewijzigd zullen worden, maar ik meen de leden van “Vrouwenkiesrecht” en de lezers van het Maandblad geen ondienst te doen, mijn eerste indrukken vast te boekstaven.
Dit waren de echte “Society women”, vrouwen die in de groote wereld van New-York den toon mede aangeven; die haar tijd besteden met zich eenige keeren daags in andere toiletten te steken; nooit ongedecolleteerd aan tafel verschijnen, zelfs al zijn zij zonder gasten; die de kerk elken Zondag bezoeken, doch met geen ander oogmerk als dat waarmede zij naar opera of ander publieke gelegenheid gaan, in hoofdzaak om te zien en gezien te worden; die haar kinderen laten opvoeden door dienstboden en ze niet meer dan een of twee keer daags zien; in ’t kort met een klasse van vrouwen, waarvan Amerika helaas een al te groot aantal bezit, vrouwen wier ouders gemakkelijk en snel rijk zijn geworden, van welken rijkdom de kinderen nu goeden sier maken. Van ontwikkeling, ware beschaving, fijn gevoel is bij haar geen sprake. Zij hebben veel gereisd en weten daardoor van het een en ander mede te praten. Zij lezen een courant en zijn daardoor op de hoogte van de sensationeele berichten, maar dieper gaat hun kennis niet, meer belangstelling kan men bij hen niet wekken. Natuurlijk zijn deze vrouwen tegen vrouwenkiesrecht, waarover zij evenwel nooit nagedacht hebben, evenmin als over eenig ander ernstig onderwerp, en toen ik haar naar de reden vroeg, was het antwoord, dat zij tevreden waren met wat zij hadden. Van plichten tegenover de maatschappij, plichten tegenover de vrouwen, die minder financieel bevoorrecht zijn dan zij, hebben zij geen begrip.
Reeds spoedig kwam ik in aanraking met een geheel ander soort vrouwen, vrouwen die men het best onder den naam “zwoegsters” kan samenvatten. Het waren de vrouwen en meisjes die in winkels, in kantoren, in telefoonbureaux, in ateliers enz. haar brood verdienen. Hieronder hoopte ik de vrouwen te vinden, die het leven ernstig opvatten, die een ideaal bezitten en daarnaar flink en energiek streven. Ja, dezulken waren er onder; flinke moedige strijdsters voor billijkheid en recht; vrouwen die na haar dagtaak elk vrij oogenblik besteden om haar vakgenooten te organiseeren, haar te ontwikkelen en haar levensstandaard te verhoogen. Maar die vrouwen kon men er bijna uitpikken, want moe en overspannen zagen zij er uit en van allen hoorde ik de verzuchting, dat het zoo’n hard werk was de vrouwenvakgenooten tot organisatie te brengen. Het was net als bij ons. De meeste meisjes werken tot zij een man vinden, en al werkende zoeken zij ijverig. Alles wat haar met mannen in aanraking kan brengen wekt haar belangstelling, daarbuiten zoo goed als niets. Toen ik vroeg, hoe het dan komt, dat zooveel gehuwde vrouwen in alle werkinrichtingen gevonden worden, kreeg ik tot antwoord, dat dit een natuurlijk gevolg was van het werken vóór het huwelijk. Wanneer de vrouwen eenmaal gewend zijn op eenigszins royale wijze, (de loonen zijn hier hoog) in eigen onderhoud te voorzien, dan valt het deerlijk af, wanneer zij na de wittebroodsweken ontwaren, dat manlief niet geneigd is, ook dikwijls niet in staat is, op diezelfde royale wijze aan de wenschen van vrouwlief te gemoet te komen. Het is dan dat zeer velen naast haar huiselijke plichten haar beroepstaak weder opvatten, maar door die dubbele taak zich te veel op de schouders laden, om ook nog belangstelling te kunnen hebben voor het maatschappelijk leven. Worden dezulken ook soms lid van de vakorganisatie, dan geschiedt dit met geen ander oogmerk dan daardoor persoonlijk voordeel te behalen. Van een hoogere levensopvatting meestal geen sprake.
Dezelfde indrukken kreeg ik van de fabriekarbeidsters. Wel bestaan er voor al deze categoriën vrouwen vakvereenigingen, clubs en tehuizen, maar de vrouwen, die aan het hoofd dier vereenigingen staan en waarvan ik verscheiden sprak, verzekerden mij, dat zij allen financieel gesteund worden en moeten worden door de, laat mij ze noemen “bourgeoisvrouwen”, wilden zij niet ten onder gaan.
Als oorzaak van deze lakschheid der “zwoegsters” gaven de leidsters mij bijna allen op, dat men de vrouwen die weinige belangstelling in hare organisaties niet al te euvel kan duiden, want de organisaties staan te machteloos, zij kunnen den leden te weinig voordeel aanbieden. De mannen met hun kiesrecht kunnen van de volksvertegenwoordigers alles gedaan krijgen wat zij verlangen, zoodra hun organisatie maar krachtig optreedt en scherp omlijnde eischen stelt. De weinige vrouwen die georganiseerd zijn, zijn dan ook allen warme voorstandsters van vrouwenkiesrecht en verwachten daarvan, mijns inziens terecht, alles goeds.
En toch—Amerika biedt een groote verscheidenheid van vrouwen! Naast die weerzinwekkende, nietsdoende, alleen-voor-pleizier-maken-levende vrouwen uit de hooge kringen, vindt men er vrouwen van gering tot aanzienlijk—zelfs uit de hoogste kringen—die haar geheele leven wijden aan het maatschappelijk welzijn. In alle besturen van vereenigingen, die zulke doeleinden nastreven, kan men zeker zijn eenige vrouwennamen te vinden, die daarbij niet als uithangbord dienst doen, zooals in vele besturen van vereenigingen bij ons te lande, maar waarvan de draagsters een werkzaam aandeel nemen aan het te verrichten werk en in zoo’n bestuur dikwijls een overwegenden invloed uitoefenen.
In alle mogelijke zaken, beroepen en bedrijven trof ik vrouwen, die daarin soms de hoogste posities bekleeden; aan het hoofd van een school voor jongens en meisjes van 16 tot 19 à 20 jaar stond een vrouw, terwijl de leerkrachten uit mannen en vrouwen bestonden; vrouwen overal aan den arbeid tusschen de mannen en soms als hun superieuren; allen vrouwen, die op waardige en bekwame wijze haar taak vervullen.
Dieper ziende en verder reizende door Amerika kwam ik dan ook tot het besef: Ja, de Amerikaansche vrouwen, als een geheel genomen, zijn ons een geslacht, misschien wel eenige geslachten vooruit. Overal waar wij ons nog een plaats moeten veroveren, hebben zij reeds vasten voet.
Hoe is dit te verklaren? vroeg ik een zeer begaafde, algemeen ontwikkelde vrouw, die in het bestuur van een groote nationale vereeniging, ten doel hebbende kapitaal en arbeid op voet van vrede te houden, een post van vertrouwen inneemt. Hoe konden, bij zooveel lakschheid onder vele vrouwen, de ernstige werksters zulke posities veroveren; hoe hebben de vrouwen in Amerika het aangelegd, dat men haar de hoogste posten toevertrouwt?
Het antwoord op deze vraag kwam hierop neder, dat men in Amerika voor alle soort arbeid, voor alle ambten en betrekkingen nog steeds menschen tekort komt; dat men neemt die men krijgen kan en dat de meeste werkgevers reeds lang hebben ingezien, dat het voordeeliger voor hen is een bekwame vrouw dan een onbekwame man aan te stellen, of soms voor het werk in ’t geheel geen man konden vinden en dan wel genoodzaakt waren een vrouw te nemen. Op die wijze kwamen vele vrouwen in het werk en kregen daardoor gelegenheid te toonen, dat zij tot dat steeds veronderstelde mannenwerk volkomen in staat waren. De vrouwen in Amerika hebben nu reeds gelegenheid gehad zoovele vooroordeelen tegen maatschappelijk vrouwenwerk te overwinnen, dat zij niet behoeven te vreezen, ook al wordt de bevolking van Amerika nog zoo groot, ooit weder uit hunne positie verdrongen te zullen worden. Door den nood werd men gedwongen vrouwen aan het werk te zetten, en nu hebben de vrouwen gelegenheid gehad te toonen, waartoe zij in staat zijn.