← Table of contents
Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten

INHOUD. (continued 2)

Reading edition

[165]

AAN DEN LINDEBOOM. O! wat schoon, wat bolgekruinden lindeboom, van verre ik staan zie, blinkende in den morgendoom[1]! Heel is hij gewelkerd al en duizendvoud van verwen, langzaam afgesleten guldengoud. Dag en schijnt erop noch noensche zonneglans: ’t is vochtig en de hemelkomme is duister gansch. Doch, ik zie mij, zonnewijs in ’t nedergaan, die najaarsche, ei, die bolgekruinde linde staan. [166] Ringsom rijzen hooge en groote zwart en zwaar getakte boomen, naast die lieve linde daar. Diepe schaduw schieten ze en een donker groen gewelf zij om het wezen van die linde doen. Wees gegroet mij, nauwlijks uit den morgendoom erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den lindeboom!

[167]

EGO FLOS... (Cant. II: 1). Ik ben een blomme en bloeie vóór uwe oogen, geweldig zonnelicht, dat, eeuwig onontaard, mij, nietig schepselken, in ’t leven wilt gedoogen en, na dit leven, mij het eeuwig leven spaart. Ik ben een blomme en doe des morgens open, des avonds toe mijn blad, om beurtelings, nadien, wanneer gij, zonne, zult, heropgestaan, mij nopen, te ontwaken nog eens of mijn hoofd den slaap te biên. Mijn leven is uw licht: mijn doen, mijn derven, mijn’ hope, mijn geluk, mijn eenigste en mijn al, wat kan ik, zonder u, als eeuwig, eeuwig sterven; wat heb ik, zonder u, dat ik beminnen zal? [168] ’k Ben ver van u, ofschoon gij, zoete bronne van al dat leven is of immer leven doet, mij naast van al genaakt en zendt, o lieve zonne, tot in mijn diepste diep uw aldoorgaanden gloed. Haalt op, haalt af!... ontbindt mijn aardsche boeien; ontwortelt mij, ontdelft mij!... Henen laat mij,... laat daar ’t altijd zomer is en zonnelicht mij spoeien en daar gij, eeuwige, ééne, alschoone blomme, staat. Laat alles zijn voorbij, gedaan, verleden, dat afscheid tusschen ons en diepe kloven spant; laat morgen, avond, al dat heenmoet, henentreden, laat uw oneindig licht mij zien, in ’t Vaderland! Dan zal ik vóór... o neen, niet vóór uwe oogen, maar naast u, nevens u, maar in u bloeien zaan[1]; zoo gij mij, schepselken, in ’t leven wilt gedoogen, zoo in uw eeuwig licht me gij laat binnengaan.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings