Note 9 — VII.
Lion Simons translation
thonne sägdon thät sae-lidhende,
thâ the gif-sceattas Geáta fyredon.
thyder tô thance. 377–79.
toen zeiden dit zeevarenden,
die de kostgaven der Gooten brachten
daarheen (naar ’t land der Gooten) ten geschenke.
Deze opvatting van Grundtvig wordt door Bugge niet aangenomen; immers ze doet onderstellen, dat de Gootische zeevaarders, die Hygelac geschenken brachten, eerst bij Hrodgars verblijfplaats aanlegden.
Hij leest daarom in plaats van den gen. Geáta den dat. Geátum: zoodat het Deensche zeelieden waren, die aan de Gooten geschenken brachten.
Cosijn verandert thyder «daarheen» in hyder «hierheen»; gevers en schippers zijn dan Gooten.
Deze laatste verklaring veroorlooft ons, het hier vermelde feit met andere gebeurtenissen in verband te brengen; immers niets staat het vermoeden in den weg, dat deze geschenken voor Hrodgar werden aangevoerd, ter beslechting van de veete met de Wylfingen.