Note 77 — XL.
Lion Simons translation
ac wäs wîde cûdh,
thätte Ongenthió ealdre besnydhede
Hädhcyn Hrêdhling widh Hrefna-wudu,
thâ for on-mêdlan aerest gesôhtan
Geáta leóde Gûdh-Scilfingas 2924–28.
es ward ja weithin kund,
dass Ongentheow des Alters beraubte
den Hädkynn den Hredling beim Hrefnaholze,
da aus Uebermut zum ersten kamen
zu den Kempen der Geaten die Kampfskylfinge.
Blijkens deze vertaling beschouwt Grein leóde als acc. en Gûdh-Scilfingas als nom.; in andere woorden: de Zweden vielen de Gooten aan en niet omgekeerd.
Met deze opvatting kan ik mij niet vereenigen, niet de Zweden maar de Gooten zijn de aanvallers.
Eerst en vooral hebben de Gooten de zee moeten oversteken, want het Ravenbosch Hrefna-wudu lag op Zweedsch grondgebied.
Verder dient for on-mêdlon: uit overmoed op de Gooten te slaan; want zij worden door Ongentheow verslagen en ontsnappen slechts aan eenen gezamenlijken ondergang door Hygelacs komst, die den volgenden morgen tot ontzet opdaagt.
Daar nu de aanvallers alleen «overmoedig» kunnen heeten en niet zij die aangevallen worden, ergo...
Dit wordt nog bevestigd door de omstandigheid, dat Ongentheow zijne gade bevrijdt, dus hadden de Gooten haar gewapenderhand opgelicht.
Ten slotte wordt van Ongentheow gezegd, dat hij Hadcyn den tegenslag schonk, ond-slyht âgeaf; dus waren de vijandelijkheden niet van hem uitgegaan.
Wij trekken dus uit deze gegevens de slotsom, dat leóde als nom. en Gudh-Scilfingas als acc. moeten aangemerkt worden.