Note 31 — XVIII.
Lion Simons translation
odh thät ôdher côm
geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh,
thâ the syngales sêle bewitiadh,
wuldor-torhtan weder. 1134–37,
totdat een ander jaar gekomen was
in het hof, zooals het nu nog doet,
indien men voortdurend op den gunstigen tijd let,
op het heerlijk heldere weder.
Socin vat thâ the als indien en wuldor-torhtan weder als acc. op; dit laatste ook Grein.
Deze verklaring komt mij al te gezocht voor; om te weten dat de lente geregeld terugkomt, moet men toch geen weerprofeet zijn.
De onregelmatigheid bestaat hierin, dat het relat. plur. thâ zich niet alleen betrekt op geâr; maar ook op een woord, dat volgt, op wuldor-torhtan weder.
Alsdan is de zin: totdat een ander jaar, de lente kwam, welke voortdurend op hun tijd letten d. i. te hunnen tijde verschijnen. wuldor-torhtan weder is dan nom.
Cosijn verdedigt deze opvatting.
Zou men de volgorde der verzen niet kunnen wijzigen en lezen:
odh thät ôdher côm
geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh,
wuldor-torhtan weder, thâ the syngales
sêle bewitiadh?