← Table of contents
Altenahr en zijn omgeving

Bekoring van het Matterhornland.

Reading edition

Naar het Duitsch van J. C. Heer.

Wallis is een heerlijk land. De reis met den spoorweg uit het Rhônedal zuidwaarts, geeft daar van reeds een denkbeeld, want verrukkelijk is het uitzicht op de groene voorgebergten, waarmee de hellingen met bruine dorpen en witte kapellen bezaaid zijn; op de wijnbergen, de golvende korenvelden, de kastanje en vijgenboomen, die zich over de hutten buigen; op de stadjes, aanleunend tegen de heuvels en zoo aardig zuidelijk van uiterlijk, en op de groote lijnen van het landschap, dat meer aan Italië dan aan Zwitserland doet denken.

Maar om de reizigers niet al te zeer in mijmeringen uit het zuiden zich te doen verdiepen, kijkt van tijd tot tijd plotseling en onverwacht in droomerige schoonheid een met sneeuw gekroond hoofd uit een diep ingesneden dal te voorschijn, dat is dan een top of rotspunt van de zilveren bergen, die het dal omsluiten. De ruischende, vlijtige beekjes, die door de kloven zich naar de Rhône een weg banen, praten van stille dalen, liggend onder den donder der lawinen.

De rijke natuur is vol tegenstellingen. Den eenen dag gebruikt men een maaltijd onder vijgenboomen, en den volgenden wandelt men door sneeuwvelden, zooals er alleen nog aan de noordpool zijn. En het volksleven is ook vol afwisseling. Men heeft hier nog oude, schilderachtige kleederdrachten, een volkstaal, die met haar kloeke scherpte aan het Nibelungenlied herinnert, merkwaardige sagen, die philosofie en godsdienst wonderlijk dooreen mengen, en een schat van eigenaardige, aantrekkelijke gebruiken. En de servet van den kellner heeft de idylle nog niet verjaagd.

Zulke dalen had ik al vele leeren kennen, maar Zermatt, dat sinds vele tientallen van jaren in aller mond is, nog niet. Het ligt achter de bergen verschanst als de Schoone Slaapster in het bosch.

Zelfs wanneer men reeds in Visp is, moet men met den bergspoorweg nog bijna een heelen namiddag reizen, tot men de plaats bereikt, waar het hooggebergte alles in grootsche schoonheid omvat, wat er aan kracht en ernst in zijn te vinden.

De rit van Visp naar Zermatt is onbeschrijfelijk schoon. Eerst is men verbaasd, hoe het toch mogelijk is, dat de spoorweg zes-en-dertig kilometer in het bergland binnendringt, want dadelijk achter Visp schijnt het zich als een ondoordringbare muur te sluiten. Maar de trein vindt zijn weg door de nauwe kloof der Visp, die in geweldige sprongen zich een weg naar beneden baant. Uit de koele golven van het schuimend riviertje vliegt het schuim op tot aan de vensters van de coupé’s.

De locomotief klautert naar het schilderachtige dorpje Stalden, dat als een zwaluwnest boven de in blauwen mist gedoopte landen aan de Rhône hangt. Een sneeuwwit, sierlijk kerkje met wijn begroeide, donkerbruine, lage huisjes van larikshout vormen het plaatsje, dat aan den zonnekant is gelegen en een eigenaardigen romantischen indruk maakt door een forsche, schitterend witte brug over de Visp.

En dan, adieu, gij droom van het Zuiden! Adieu, gij noteboomen en wijngaardbergen. Op den achtergrond van de bergspleet schitteren boven zwarte bosschen de lichtende toppen met de eeuwige sneeuw. Hun stuift de trein te gemoet, nu eens wandelt hij door een vlak dal, dan weer klautert hij op tegen een bergdrempel; altijd blijft hij de trouwe buurman van de in stroomversnellingen donderende en bruisende Visp.

Van tijd tot tijd groet het schelle fluiten een donkerbruin bergdorp, dat de laagte zoekt, met het witte kerkje, het eenige huis, dat de aandacht trekt. Hoe dieper we het gebergte in gaan, des te kleiner worden de hutten, des te lager de venstertjes. En schraler wordt van dorp tot dorp het bosch er omheen. In het eene heeft de jeugd nog een herfst met appels en peren; in het volgende alleen een zomer met kersen, heel kleine, maar sappige kersen. Zij worden geplukt, als beneden in de dalen de wijnoogst met gejuich wordt gevierd. De volgende dorpjes hebben geen kersenboomen meer, maar op kleine akkers die tusschen groote steenen op den zonkant zijn aangelegd, smeeken ze van het beetje zwarte aarde om wat gouden halmen. Menigmaal echter wordt ook het koren niet rijp; dan moet het nog half groen worden gesneden en gedroogd op houten stellages; maar zelfs de Zermatters verbouwen nog hun eigen koren voor hun brood.

Eindelijk ziet men aan beide zijden van het dal alleen nog dunne lariksbosschen met banen van lawinen er doorheen; bosschen van oude mannen met lange, grijze mosbaarden. Boven het bosch staan de ruwe rotsen, waarlangs enkele witte beekjes neerfladderen en boven de rotsen komen de gletschers voor den dag met flikkeringen op de breuken, terwijl nog weer hooger de witte sneeuwvelden en hooge firntoppen uitsteken.

Dan buigt de trein in andere richting; het dal wordt breeder, er verschijnt een lachende, groene vlakte, en voor ons ligt Zermatt, met een gillen van de locomotief begroet.

Neen, de Matterhorn ligt voor ons!

Niets, niets ziet men dan hem alleen. Met blinkende randen staat hij tegen den van licht oververzadigden achtergrond van den avondhemel, en zijn wanden steken er donker tegen af. Wat is dat een grenzenloos koene, verrukkelijk mooie berg! Hij trekt oog en hart tot zich. Geen van zijn buren komt hem nabij; ze wijken inderdaad van hem terug, en zoo goed als eenzaam is hij aan den westkant van den gezichtskring.

En nu, na den eersten tol, dien ieder aan den Matterhorn moet brengen, merken we het dorp Zermatt. We zijn aan het station. Zermatt ligt diep tusschen de bergen op een heerlijk groen weidetapijt, dat door de grijze, koude spelende golfjes van de Triftbach wordt doorsneden. Schrale bosschen en wilgen, door rotsen afgewisseld, stijgen op als voormuren van het sneeuwgebergte en bedekken veel toppen van de bergen voor het oog; maar alleen de Matterhorn staat daar vrij en zonder iets vóór zich.

Wie gezond is, kan geen half uur in Zermatt zijn, zonder plannen te maken voor een Matterhornbestijging. Het is om het hart van pijn te doen ineenkrimpen, als men zich door het verstand en de omstandigheden moet laten zeggen, dat men niet mag en niet zal gaan. Ik zal geen steen werpen op diegenen, die toch zijn gegaan; duizenden vallen in den strik van een sterke verzoeking, en ik weet wel, dat ik nooit meer naar Zermatt ga zonder een verlof tot een Matterhorntoer in den zak of in het geweten.

Goed, dat men al gauw achter de huizen komt, waar men het beeld der Circe niet ziet.

Zermatt heeft een type, dat ietwat italiaansch is. Twee beschavingen ontmoeten elkaar in het dorp, de nieuwe, die haar uitdrukking vindt in een half dozijn reusachtige hôtels, die met hun witte voorzijden door het dal lichten, en de oude, die met een half honderd zwartgezengde houten hutten van den tijd praat, toen men het Matterdal nog niet kende. Twee Zürchers, Hirzel en Ulrich, hebben het in 1822 ontdekt. Niet van Wallis, maar van Italië uit. Zeker zijn de hutten nog dezelfde, die toentertijd door de ontdekkingsreizigers werden aangetroffen. Vele staan op zuilen van in lagen liggende steenen platen, zoodat ze er als paalwoningen uitzien.

Ook de eenige straat, die Zermatt heeft, is nog zoo oneffen als voor 75 jaren; de groote steenen van het plaveisel zijn vochtig en glad, en de grond er tusschen is door de hoeven der vele muildieren, die erlangs gedreven worden, onderwoeld.

Overigens is ook in dit dorp veel verfraaid, ja, als men op de goede plaats met het gezicht naar de mooiste huizen gaat staan, dan ziet het er bijna als een stadje uit. Eenige hutten zijn tot bazars geworden, waar men de alpensnuisterijen koopen kan en de uitrustings-benoodigdheden voor den bergbeklimmer-toerist.

Het europeesche high life doorleeft in Zermatt heerlijke, lachende dagen. Men heeft alles, wat het hart wenscht, kleine kwaadsprekerijen en de groote couranten; het fijne, gezellige gesprek van geestrijke menschen en bij de klauterpartijen de wilde opwinding als bij een Derby-ren. Ieder morgen heeft, als de zon boven de kerk opgaat, de plechtigste missa solemnis plaats en het is een vreugde, des avonds met vermoeide leden en verbrande aangezichten terug te keeren van de bergtochten. Dan vliegen de namen Dufourtop, Theodul, Dentblanche, Mont Cervin, Lyskamm, Verrapas, Macugnaga door de rijen der terugkeerenden en klinken door de gangen der hotels, zooals in een stad de namen der beste restaurants.

Maar één zekerheid is toch ook een heerlijkheid in Zermatt, dat is het bewustzijn, dat men als men wil, met den eersten den besten trein weg kan komen, als men er genoeg van heeft. Als men die zekerheid niet had, zou ieder vreemdeling het wel willen uitschreeuwen van verlangen naar de wijde ruimten. Na een paar weken krijgt men een bedrukkend gevoel tusschen die bergreuzen, en men kan het haast niet langer stellen zonder een wijden horizon en een vriendelijk landschap.

De overmacht der natuur, die in dit dal zoo luide spreekt, stemt den mensch tot zwijgen en melancholie.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings