AKBAR (continued 2)
Reading edition
—Edele Feizi!—sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte had geheerscht,—mag ik u eens eene opregte vraag doen?
—Wel zeker!—luidde 't gulle bescheid,—en ik hoop er even eerlijk op te kunnen antwoorden.
—Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf. Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst als Shah Akbar zamen te spannen?—of is het werkelijk zoo?
—Och kom!—riep Feizi uit,—mijn broeder ziet ook overal verraad! Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen één.
—Feizi!—sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,—uwe optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden?
—Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,— hernam de ander,—ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er immers wél bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn broeder zelf en mij niet.
—Dat in geen geval!—riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,—en zoo min ik ooit bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zóózeer prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik.
—Gedenk dat woord!—zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,— en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te noemen.
—Zie zoo!—sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,—daar zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet vér in; en als mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is. Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt dan de schitterendste feesten.
—Niets liever, geëerde Feizi!—was Koelloeka's antwoord,—dan zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is 't voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de vroegte reeds op 't appél zijn om zijn kommando over te nemen, en ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden zaken te regelen vóór mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is. Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst?
—Ik moet wel, waarde vriend!—antwoordde Feizi, terwijl hij een dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,—al verzette ik mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!—zeide hij nog vertrouwelijk tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te volgen,—wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden…. Waak daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen.
En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug….
Zoo ontbrak het dan Siddha,—de gedachte drong onder 't huiswaarts keeren zich als van zelf bij hem op,—zoo ontbrak 't hem bij de intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen?
VIERDE HOOFDSTUK.
Akbar
Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens de noodige instructiën van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend, terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van levenslust en moed.
Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters eenige evolutiën maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken.
Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen, blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg:
—Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit Kaçmir moet zijn aangekomen?
—Die ben ik,—antwoordde de ander,—gij schijnt mij te kennen.
—Ik persoonlijk niet,—zei de dienares,—maar de edele vrouw die mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen hebben haar dat te gunnen?
—Maar,—vroeg Siddha,—wie is uw meesteres?
—Vergun mij, Heer!—was het antwoord,—u den naam voor 't oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes uur ginds bij de moskee,—en hier wees zij naar het even prachtig als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het zonlicht glansde,—ik zal u daar wachten en u geleiden.
Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de waarschuwing van Aboel Fazl.
—Nu?—vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,—weet een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop ik, niet bevreesd….
—Bevreesd!—riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn gelaat overdekte,—wat geeft u 't regt….—Maar—vervolgde hij, zich bedwingend,—'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij tegen den bepaalden tijd bij de moskee!
—Het is wel!—antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was.
Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had; doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan, en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof.
Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers, in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene aangename rustplaats boden.
Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van, naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn. Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had.
Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was, antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak verklarend, voortging:
—Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die betrekking? Zet u inmiddels!
—Ik zou,—antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend, al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte scheen te behandelen,—ik zou al erg ondankbaar jegens mijn begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij geplaatst hebben.
—…En den Keizer!—herhaalde de ander,—nu ja. Maar zeg mij, komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent?
—Een lastige vraag, edele Heer!—sprak Siddha openhartig,—en die ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen, zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden heb.
—Voorzigtig geantwoord!—merkte de onbekende aan,—de vraag is alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn rekbare woorden.
—Voor velen,—hernam Siddha,—maar niet voor mij. Ik neem ze in den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou kunnen verzekeren.
—En gij zoudt wél doen,—sprak de ander goedkeurend, maar wat reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk nadeel kon strekken?
Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord, terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding:
—Is Akbar niet eerzuchtig?
—Jongmensch!—sprak de onbekende op een toon en met een blik, die Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op zijn bank,—zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd, maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg gewaagd.
—Zoo mag het schijnen,—antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet, is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen.
Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles….
—Dat—zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk uit zijn helder oog,—dat is een waar woord, dat gij gesproken hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wél zult kennen! Maar nu dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt. Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzië tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering, bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kaçmir, op zich zelve hem zoo buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar onderstelt.—Zijne eerzucht,—vervolgde de spreker,—terwijl zijn anders rustig oog begon te schitteren,—zijne eerzucht dan is, en was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk, maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen, en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor één enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja! dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het bereiken van zijn doel, en hoe vér, hoe vér, helaas! blijft hij daarvan ook heden nog verwijderd!
Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen, toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders vóór zich dan den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zóó een man jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen onmogelijk maakte.
—Abdal Kadir!—sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven.
Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de onbekende hem terughield en zeide:
—Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan zijn geloof.—Is het zoo niet?—vroeg hij, Abdal Kadir aanziend.
—Zoo is het inderdaad!—antwoordde deze;—en ik heb ook werkelijk geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!—vervolgde hij tot Siddha,—ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons, diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij óf ongodisten zijt óf afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk, verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan ongeloovige….
Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen.
—Ongeloovigen dan, in één woord,—vervolgde Abdal Kadir,—en dat is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw hoofd, en… welligt ook hem zal treffen, die met eer en gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter hand gesteld!
—Mij dunkt,—sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op ijskouden toon,—mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien….
—Abdal Kadir!—vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen Islamiet,—wat verlangt gij van mij?
—Sire!—antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra kwam,—Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan….
—Ik weet het,—viel Akbar hem in de rede,—zelfzuchtig zijt gij niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te matigen!
—Inderdaad!—antwoordde Abdal Kadir,—het geloof, ons eenig waar en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.—En,—vervolgde hij,—nu van zijne zijde met een strengen blik,—een wezenlijk ernstig, als het kan!
—Ik wil gaarne mijn best doen,—zei Akbar beleefd,—en ik beloof u, volstrekt niet te lagchen, mits… gij 't ook niet al te bont maakt.
—Het oordeel daaromtrent hangt af van de bijzondere opvatting,— merkte de ander aan,—maar ik wil mijnerzijds streven, de zaak zoo bedaard mogelijk te behandelen. Mijn pligt dan, zeide ik, als onderdaan noopt mij onverholen te spreken. Te waarschuwen toch, en met allen ernst te waarschuwen, wordt dringend noodig voor al wie als ik het opregt met Shah Akbar meent en tevens weet wat mij is ter ooren gekomen. Dat er al lang een hevig ongenoegen onder ons, wezenlijke Mohammedanen, bestaat over de wijze waarop allerlei Heiden- en Jodenvolk door u, den Keizer, wordt begunstigd, en lauwhartigen als een Aboel Fazl, en atheïsten als een Feizi, in de hoogste magts- en ambtsbetrekkingen zijn geplaatst, is u voldoende bekend. Maar wat gij niet weet, is, hoe er dientengevolge in 't midden van uw rijk en in de dadelijke nabijheid van uw hof eene partij is ontstaan, die onherroepelijk uw val en ondergang besloten heeft, indien gij ten einde toe weigert gehoor te geven aan de allezins billijke eischen, waarop zij, als vertegenwoordigende de aloude en eenig ware vrienden van het huis van Tamerlan, mag aanspraak maken. Nog onlangs was ik in de gelegenheid eene vergadering onzer moellah's bij te wonen, en wat ik daar vernam was mij inderdaad reeds genoeg om mij te doen sidderen bij de gedachte, wat dergelijke onder de Mohammedaansche bevolking zoo invloedrijke mannen niet al vermogten zelfs tegen een Akbar, indien ze eens gesteund werden door eerzuchtige grooten en ontevreden legerhoofden, zooals er zoovelen ook aan het hof van Agra zelf als overal in gansch Hindostan nog gevonden worden.
—Maar,—vroeg Akbar, eenigszins ongeduldig,—wat willen dan eigenlijk uwe moellah's en hun aanhang? Hebben ze niet genoeg aan de meest volmaakte vrijheid om te denken en te spreken zooals zij willen, en proselieten te maken zooveel ze maar kunnen? Heb ik hun ooit een stroobreed in den weg gelegd?
—Zeker niet,—hernam de ander,—maar dat zou dan ook ten hemel schreijen! Doch wat baat hun die vrijheid, indien anderen, indien alle mogelijke soorten van ongeloovigen volmaakt dezelfde bezitten, en hier aan uw hof, en in het leger en allerwege in allerlei maatschappelijke betrekkingen hen komen ergeren door hun verontreinigende tegenwoordigheid? En wat komt er dan van de handhaving van het eenig ware geloof, waartoe boven alles de Keizer, de vertegenwoordiger van Allah hier op aarde, geroepen is?
—Ja, daar zijn wij er weer!—riep Akbar uit,—dat is nu weer het oude thema. Gijlieden alleen hebt de waarheid in pacht, en daarvoor moet alles zwichten, ook ik, en wat niet buigen wil moet breken. Maar waarom zijt gij nu eigenlijk alléén in 't bezit van die waarheid?
—Omdat de Profeet, gezegend zij zijn naam! ze ons verkondigd heeft, en omdat….
—Omdat hij 't wist, en niemand anders dan hij. Goed! Maar daar hebt gij nu die Padres, die hier uit het Westen, uit de landen der Franken komen, ook eerlijke, brave menschen zooals gij.
Die hebben ook een Profeet, dien ze, bedrieg ik mij niet, wel eens als hun God vereeren, schoon mij dat nog niet regt duidelijk is. En die is in elk geval ouder dan Mohammed. Dan zijn er ook nog de Joden, die niets van dezen en ook niets van den anderen, maar alleen van Mozes willen weten. En wat zegt gij dan wel van onze Brahmanen hier? Die komen met zooveel oude en alle met het hoogste gezag bekleede boeken voor den dag, boeken zoo eerwaardig oud dat zijzelf ze haast niet meer kunnen verstaan, en beroepen zich op zooveel zieners en heilige mannen dat Mozes met zijn Thora en Christus met zijn Evangelie en Mohammed met zijn Koran er allen te zamen nauw tegen op kunnen werken. En nu vraag ik u toch in gemoede: Hoe wil ik een eenvoudig man, die van dat alles wel eens iets gehoord heb, maar er geen honderdste part van versta, nu als geloofsregter gaan beslissen en uitmaken of Mohammed bijvoorbeeld meer regt dan Christus heeft?
—Maar gij zijt toch in de leer van den Islam opgevoed?
—Een weinig afdoende grond voor iemands geloof, dat toch wel op eigen onderzoek en overtuiging dient te steunen en bezwaarlijk alleen afhankelijk zijn kan van de omstandigheid of zijn vader hem indertijd heeft laten doopen of besnijden! Maar 't is de vraag nu ook niet, wat ik persoonlijk al dan niet heb te gelooven; dat gaat niemand aan; maar alleen, wat ik als vorst, als beheerscher van het rijk der Mogols te doen heb tegenover de belijders van al die verschillende godsdienstsecten, die alle gelijkelijk aan mijn heerschappij zijn onderworpen en dus ook gelijke aanspraak hebben op mijn bescherming. En die vraag, geloof mij, beste vriend! die zult gij nimmer kunnen oplossen zoolang gij alles van dien éénen kant blijft bekijken en blind voor al de andere zijt.
—Maar de gevaren dan toch, waarmede uw inzigten, daargelaten welke waarde ze hebben, uw rijk en uw troon bedreigen?
—Nu,—sprak de Keizer, met zekere minachting glimlagchend,—ik heb wel aan andere 't hoofd geboden dan die waarmee de toorn uwer geloofsdrijvers mij thans weer te bedreigen heet.
—Andere!—hernam Abdal Kadir met nadruk en den vorst met ernstigen blik in de oogen ziend,—juist, andere! Namelijk die soort van gevaren, die vreemden u bereidden. Maar als het verzet, heimelijk eerst, daarna meer openbaar, nu eens opkwam uit uw eigen huis, of gevoed en bevorderd werd door hen die behooren tot uw eigen geslacht? Indien uw zoon….
—Mijn zoon! Selim!—riep Akbar uit.—En toch,—ging hij voort,— onmogelijk schijnt zoo iets niet! Wij zagen dat meer in ons geslacht en in dat der vorsten, die ons omringden en na eindelooze familietwisten zich onderwierpen aan onze heerschappij. En zoo meent gij dan dat Selim zelf zich met uwe ontevredenen tegen mij zou kunnen verbinden? Want dat schijnt toch wel de strekking uwer woorden.
—Zoo is het, Sire!—antwoordde Abdal Kadir,—althans ik heb gemeend dat hij zich daartoe wel eens door geloofsijver kon laten verleiden; maar ik zeg nog volstrekt niet dat het reeds het geval is.
—Nu,—hernam Akbar,—als 't er dan werkelijk toe komen moest, één ding is zeker, uit ijver voor 't geloof zou Selim dus niet handelen; hij geeft vrij wat meer om fijnen wijn en schoone vrouwen dan om den Koran en den Profeet. Maar dat neemt niet weg, dat ik u dankbaar ben voor de waarschuwing. Waart gij er terstond mee begonnen, we hadden ons vrij wat overtollige woorden kunnen besparen. Hebt gij later weer eens meer zulke mededeelingen, we zullen er u dank voor zeggen; zij kunnen ons leeren, een weinig op onze hoede te zijn en onze lieden hier wat in 't oog te houden. Voor 't oogenblik inmiddels: Vaarwel!
En met een ietwat ironieken glimlach om de lippen verwijderde zich de Keizer en liet Abdal Kadir in de gelegenheid om over den indruk na te denken, dien zijne toespraken hadden te weeg gebragt.
—Bij Allah!—bromde de volgeling van den Profeet tusschen zijne tanden,—daar hebben we nu weer wat moois verrigt! Ik had gemeend hem niet weinig te doen ontstellen toen ik Selim noemde en hem op eens gedwee te maken door mijne mededeeling. Maar bij slot van rekening heb ik hem nu eenvoudig gewaarschuwd; en in plaats van ons te helpen, zal hij ons nu nog harder gaan tegenwerken, nu hij weet of althans vermoedt dat sommigen der onzen met zijn eigen zoon tegen hem zamenspannen, of ook, zoo hij 't misschien reeds bevroedde, zich door mij in zijne meening bevestigd ziet. Een wijs man acht gij u, Abdal Kadir! en toch… gij hebt weer gehandeld als een gek!
Och, of de ijver die mij bezielt, voor ons heilig geloof, mij ook die kalmte steeds liet bewaren, die Akbar zoo zelden verlaat! Wat voordeel hem dat niet verschaf, boven ons!…
Of nu evenwel die bedaardheid, zooeven door Akbar betoond, ook wezenlijk zoo opregt en natuurlijk was als de ander onderstelde, mogt de vraag heeten voor wie hem in diep gepeins met naar den grond geslagen oog en nu en dan het hoofd schuddend naar zijn paleis had zien terugwandelen….
Daar, in zijne eigene, voor slechts enkelen toegankelijke vertrekken wachtte inmiddels een man, wiens tegenwoordigheid buiten twijfel aan Abdal Kadir, zoo hij er van geweten had, opnieuw stof zou hebben gegeven tot hevige verontwaardiging,— Koelloeka, de Brahmaan. In gedachten verzonken zat hij naar den vloer te staren, en noch de prachtige versierselen van het ruim en luchtig vertrek noch het heerlijk uitzigt over de lagchende tuinen scheen een oogenblik zijne opmerkzaamheid te trekken. 't Was dan trouwens ook niet voor den eersten keer dat hij dit alles aanschouwde.
Een Keizerlijk wachter kwam weinig tijds na het straks gevoerde gesprek hem wekken uit zijne mijmering om hem binnen te leiden bij den Vorst.
—'t Is mij lief u weer hier te zien, Koelloeka!—sprak de Keizer, na minzaam den groet van den Brahmaan te hebben beantwoord,—en ik wil hopen dat gij mij goede berigten medebrengt uit uw land.
—Helaas, Sire!—antwoordde Koelloeka mistroostig,—wenschte dat ik het kon; of ook de min gunstige voor Uwe Majesteit te mogen verbergen, zooals ik 't nog voor anderen doe. Maar het vertrouwen door Haar in mij gesteld, alsook het welbegrepen belang van mijn land zelf, noopt mij, niet te verzwijgen wat ik weet.
—Ik begrijp het al,—zei Akbar,—zeker weer de oude geschiedenis! Partijveeten en familietwisten, zonen die tegen hun vader, broeders die onder elkander intrigeren, dáár… als elders.
—Maar al te waar!—hernam Koelloeka.—Toen eenmaal Nandigoepta, de wettige Koning van het tooneel was afgetreden en zijn broeder de vrije hand had gelaten, meenden wij dat nu voor goed de orde zou zijn hersteld; en geruimen tijd was het ook zoo. Met de bestaande regering was het volk tevrede, zooal niet ingenomen, en aan nieuwe veranderingen werd althans niet gedacht. Ook nu is dat onder de eigenlijke burgerij nog volstrekt niet het geval. Maar toch begint weer factiegeest nieuwe onlusten aan te stoken, en al wederom nieuwe omwentelingen schijnen te worden voorbereid. Wat nog misschien het ergste is, wij weten niet te ontdekken van welke zijde het voornamelijk komt. De zoons van den Koning, die vroeg of laat tegen hem in opstand dreigen te geraken en onderling ook al weer verdeeld schijnen, handelen zeer zeker niet uit eigen beweging en worden blijkbaar opgestookt. Maar door wie? Ziedaar wat tot dusver ons ontsnapt.
—'t Mag zijn hoe het wil,—sprak de Keizer, vast en beslissend,—of zij zelfstandig handelen of niet, het schijnt toch dat het oude spel weer zijn gang begint te gaan. En wat moet, indien 't niet bijtijds wordt verhinderd het onvermijdelijk gevolg daarvan zijn? Dat, als vroeger, de verschillende partijen zich gaan uitrusten tot openlijken strijd, dat burgeroorlog uw land verscheurt, en dat van weerszijden zich benden vormen, die, naarmate ze minder geluk hebben binnen de grenzen van hun eigen landstreken het elders en wel bepaald binnen de mijne gaan beproeven, en mijne landen en mijne onderdanen komen plunderen en brandschatten om zich schadeloos te stellen voor wat zij te huis verloren hebben. En nu zeg ik u zonder omwegen en eens voor goed, opdat gij in tijds moogt gewaarschuwd zijn, ik zal dat niet dulden. Mijn rijk, mijne volken zullen geëerbiedigd worden, en kan dit niet anders dan door geweld, welnu, wat moeite en wat schatten 't ook weer kosten moge, ik verzamel opnieuw mijne legers en voer ze naar het Noorden om ook daar de rust te herstellen, die onmisbaar voor de welvaart mijner onderdanen blijft. Liever nog het gansche rooversnest uitgeroeid dan het tot schade der mijnen enkel om der lieve vrede wille te laten voortbestaan! Ondanks al zijn ontzag voor den Keizer mogt ook de bezadigde Koelloeka een opwelling van toorn niet bedwingen bij die trotsche en als uitdagende taal, en donkerder kleurde zich, al gaf hij geen dadelijk antwoord, zijn door de zon gebruind gelaat.
—Vergeef mij, waarde Koelloeka! hernam thans evenwel Akbar,— indien mijne woorden u soms griefden; maar gij weet immers zoo goed als ikzelf, dat ik, dus sprekend, de goeden onder ulieden, zooals gijzelf of uw tegenwoordigen vorst of zijne ministers niet bedoel, maar enkel die ellendige intriganten, die uzelven het meeste nadeel berokkenen en ons bedreigen met de gevolgen van hunne onzalige woelingen. Daartegen te waken is en blijft mijn pligt, en ik zal dien weten te vervullen. Help mij voorzooveel gij kunt om mijne tusschenkomst onnoodig te maken, en gij moogt u verzekerd houden dat ik de laatste zijn zal om ze u op te dringen.
—Ik stel volkomen vertrouwen in uwe woorden,—sprak Koelloeka,—en zoo ik een gevoel van wrevel niet gansch terug kon houden, 't was zeker niet minder om de vloekwaardige lagen, die ook thans weder ons land en onzen vorst worden gelegd, dan om de bedreigingen, waartoe ze, ik moet, hoe ongaarne ook, het wel erkennen, aanleiding geven en het regt. Maar schuilt nu in Kaçmir zelf en nergens anders het verraad? En is het zoo gansch ondenkbaar dat er hier aan uw eigen hof en in uw naaste omgeving, onder uwe verwanten zelfs, wordt zamengespannen tegen ons, als tegen uw gezag?
—Hoe nu? Wat meent gij?
—Ik ging te ver welligt en sprak misschien voorbarig. Maar ik heb mijn vermoedens en, zoozeer ik wenschen mogt dat zij ijdel bleken te zijn, toch kan ik ze niet gansch en al van mij afzetten. Selim….
—Wat? Al weder Selim? Zou die ook hier weer in betrokken kunnen zijn?
—Wat hij verder nog uitrigt is mij onbekend, maar enkele aanduidingen, hoewel zeker nog zeer onbestemde, geven mij toch aanleiding Uwe majesteit in dezen te waarschuwen. Blijken zij ongegrond, des te beter; maar goed toe te zien kan toch in elk geval geen kwaad.
—En dat zal geschieden! Voor 't oogenblik echter berust nagenoeg alles nog maar op onderstellingen en onbewezen mogelijkheden. Oordeelen en handelen wij dus niet te ras! Wees echter verzekerd dat niets van 't geen gij thans mij hebt medegedeeld mijn nauwlettend onderzoek zal ontgaan, en als we elkander weerzien zal de tijd tot beslissing en handeling misschien ook zijn aangebroken. Tot zoolang geen welligt ijdele zorgen. Doch eer ge van hier gaat wil ik u nog iets mededeelen, waarin gij meer persoonlijk wel eenig belang zult stellen. Ik heb zoo straks uw leerling gesproken.
—Hoe, Siddha?—riep Koelloeka eenigszins verwonderd uit,—en wie stelde hem dan nu reeds voor?
—Niemand,—antwoordde Akbar,—ik heb, in 't park hem ginds ontmoetend en ligt begrijpend wie hij was, hem zelf maar eens aangesproken. Gij weet dat ik wel eens meer zoo handel.
—En hij wist niet dat hij met den magtigen Keizer sprak?
—Natuurlijk niet, en 't bleek mij dat hij 't ook niet vermoedde. Zeg 't hem ook niet als gij hem zien mogt; later zal ik hem zelf wel inlichten. Maar gij verlangt zeker te weten wat ik van hem zeg? Welnu, ik ben heel wel met hem tevrede; 't is een flinke, eerlijke jongen, in wien ik vertrouwen stel. Misschien soms wat onvoorzigtig en wat heel openhartig….
—Hij heeft immers niets gezegd wat ongepast tegenover den Keizer kon zijn?
—Wel iets,—hernam Akbar lagchend,—ten minste indien hij geweten had tot wien hij 't zeide. Maar stel u gerust! Toen ikzelf hem onder 't oog bragt dat hij zich wat haastig uitliet, gaf hij mij een verontschuldiging waartegen ik niets had in te brengen. Maar genoeg! ik heb u gezegd dat hij mij voldeed, en 't is u bekend dat ik anders juist niet gewoon ben zoo aanstonds gunstig over de menschen te oordeelen die ik voor 't eerst zie. Laat hij zelf nu maar zorgen dat de goede indruk niet verloren ga! Andere zaken roepen mij nu voor 't oogenblik. Ik houd u dus niet langer terug!
Met eerbiedigen groet verliet Koelloeka het vertrek en met welgevallen zag Akbar hem na,—hem, een man zoo ver van hem verwijderd én in stand én in rang, én door uitwendige godsdienst en nationaliteit, maar toch opregt aan hem verbonden door achting en vriendschap, en dengene onwankelbaar trouw, wien hij eenmaal zijn woord had verpand.
—Op dien ten minste valt te rekenen!—sprak de Keizer in zichzelven,—in hem althans is geen bedrog.—En hij had regt. Maar hoevelen nog die hem nader stonden en van wie hij niet met evenveel regt hetzelfde getuigen kon!
VIJFDE HOOFDSTUK.
Een nieuwe kennis en een oude
Niet lang had Siddha, omstreeks den bepaalden tijd, in de nabijheid van de moskee gewacht of hij zag de dienares naderen die, digter bij gekomen, hem uitnoodigde haar te volgen. Door verschillende lanen en zijpaden ging zij hem voor, tot zij eindelijk aan een hoogen tuinmuur kwam en een klein in den muur aangebragt poortje opende, dat zij ook, nadat beiden waren binnengetreden, zorgvuldig weer sloot. Een digte laan met cactussen en andere gewassen leidde hen tot een soort van terras met oranjeboomen en verscheidene fonteinen, waarop de achtergevel uitzag van een klein, maar bijzonder sierlijk en smaakvol huis, welks overig gedeelte in zwaar geboomte verscholen bleef. Langs de marmeren trappen en door een opene galerij werd nu Siddha door zijn geleidster in een mede aan den voorkant gansch geopend vertrek gevoerd; en na hem te hebben binnengebragt, verdween zij achter een der voorhangen.
Op een divan, aan de opene zijde van het vertrek, lag daar in bevallig achtelooze houding eene jonge, rijk en met smaak op de Perzische wijze gekleede vrouw, die zoodra zij haar bezoeker gewaar werd zich van het rustbed verhief en hem te gemoet kwam om hem welkom te heeten. Of zij schoon was? Met juistheid zou Siddha niet geweten hebben het te beslissen. Hare trekken waren niet regelmatig, haar gestalte was klein en tenger; maar hare zachte blauwe oogen, met lange zijden wimpers overschaduwd, hadden eene onbeschrijfelijk vriendelijke en innemende uitdrukking; haar alligt ietwat te groote mond scheen ook tot iets anders nog uit te noodigen dan enkel tot het luisteren naar hare woorden; en, was ook hare gestalte niet groot, zij bezat daarentegen de meest volmaakte evenredigheid, terwijl het gedeeltelijk eng sluitend gewaad de schoone ronding der vormen te duidelijker deed uitkomen. Wat evenwel Siddha terstond meer in 't bijzonder trof, was de hier wel buitengemeene blankheid van den hals en den half ontblooten boezem, waarom zich een kostbaar parelsnoer wond, en niet minder ook de rozeroode tint der wangen, gelijk hij die bij andere niet bruin gekleurde vrouwen tot dusver nog nooit had opgemerkt.
—Edele Heer!—sprak de onbekende, en zoo de indruk, dien haar gansche voorkomen op Siddha gemaakt had, niet reeds zoo gunstig ware geweest, de liefelijke klank harer stem zou hem volkomen hebben gewonnen,—ik zeg u dank dat gij zoo spoedig aan mijne uitnoodiging hebt willen voldoen. Welligt was mijn vezoek wat onbescheiden; maar als ik u de reden heb medegedeeld, zult gij, hoop ik, 't mij niet al te euvel duiden.
—Aan zulk een uitnoodiging gehoor te weigeren,—antwoordde Siddha,—ware ongetwijfeld al zeer onridderlijk geweest. Maar gaarne wil ik u de verzekering geven, edele vrouw! dat ik niet dan met ongeduld den tijd van het bezoek had kunnen afwachten, indien ik vooraf in de gelegenheid was geweest om het beeld te zien van degene die mij de uitnoodiging deed toekomen.
Met een ligte hoofdbuiging het gezegde beantwoordend, dat zij blijkbaar als een beleefdheidsphrase opvatte, ging de jonge vrouw voort:
—Mijne verontschuldiging dan is, dat geen eigenbelang mij tot deze handelwijs bewoog, maar het belang van eene andere, van eene vriendin, die ik hartelijk liefheb. Zij werd vóór eenigen tijd genoodzaakt uit Agra te vlugten om de lagen te ontgaan, die haar door sommige aanzienlijke en magtige personen gelegd werden, en vér van hier, in uw land, in Kaçmir, een schuilplaats te zoeken. Nu heb ik haar eenige mededeelingen te doen, die voor haar van groot gewigt kunnen zijn; maar ik wist tot heden geen middel om ze haar veilig te doen geworden, daar ik de boden, die hier tot mijne beschikking mogten zijn, geen van allen kan vertrouwen.
Daar verneem ik toevallig,—hoe, doet nu niet af,—dat gij met uw vroegeren leermeester Koelloeka in Agra waart gekomen, en tevens, dat de goeroe spoedig weer naar zijn land terugkeert. Ik begreep terstond dat ik niet beter kon doen dan mijn vertrouwen te stellen in de eer van een edelman zooals gij, wiens naam mij ook wel bekend was, en besloot dus u te verzoeken, uw vriend met de overbrenging van een brief te willen belasten, waarin ik kennis geef aan mijne vriendin van 't geen zij belang heeft te vernemen. Zou dit verzoek nu te veel soms van u of van den waardigenen Koelloeka gevergd zijn?
Een gevoel van verligting was Siddha's eerste gewaarwording bij het aanhooren van deze woorden. Zoo kwam dan de gansche zaak eenvoudig neer op het overbrengen van een blijkbaar zeer onschuldigen brief, die hem voor 't overige ook niets aanging. Toch mengde zich, half onbewust, een zekere teleurstelling onder dat gevoel van tevredenheid. Dat er geen sprake was van eenige zamenzwering mogt hem ongetwijfeld zeer verblijden, maar of zijne ijdelheid wel zoo bijzonder gevleid kon zijn door de overtuiging dat er ook geen zweem van een avontuurtje zich vertoonde? Inmiddels haastte hij zich aan de onbekende de verzekering te geven, dat hij zeer gaarne zijn leeraar met den brief zou belasten en dat deze ook tegen de overbrenging wel geen bezwaar zou maken.
Op een teeken der jonge vrouw verscheen nu de dienares en bragt op haar verlangen een in briefvorm zaamgevouwen en met een zijden koord en een zegel gesloten stuk.
—Het opschrift,—sprak gene, nadat de dienares weer vertrokken was,—luidt, zooals gij ziet, aan iemand anders dan aan mijne vriendin zelve. De naam is u misschien bekend.
—Zeer zeker!—antwoordde Siddha,—ik ben meer dan eens met dien jongen man op de jagt geweest.—Nu, die zal haar den brief dan ter hand stellen. Zoo doende weet uw vriend Koelloeka niet aan wie hij eigenlijk gerigt is, 't geen mij wenschelijk voorkomt, om niet meer personen in 't geheim te mengen dan er nu reeds mee bekend zijn. Ik hoop maar,—vervolgde zij na een oogenblik zwijgens,— dat mijne vriendin haar voordeel zal kunnen doen met hetgeen ik haar meld. Inderdaad ik heb opregt medelijden met haar in hare ballingschap; en toch, ik kan haar soms ook benijden, dat zij in de gelegenheid is uw heerlijk land te bezoeken, waarvan ik zooveel prachtige beschrijvingen heb gelezen. Maar zeg mij, opregt gesproken, zijn die beschrijvingen niet soms wat overdreven, ten minste wat heel dichterlijk?
—Ik voor mij,—antwoordde Siddha,—zoozeer mijn leermeester mij ook altijd gewaarschuwd heeft tegen overschrijding van de grenzen die goede smaak en werkelijkheid ons stellen, ik heb toch steeds als hij gevonden dat de beschrijvingen door u bedoeld nog vér beneden de waarheid bleven. Inderdaad, ook in deze streken heeft de natuur soms haar schoon, en bekoorlijk zijn menigmaal de boorden uwer Djoemna, en bij de pracht en de weelde uwer paleizen en lusthoven haalt niets in ons noordelijk land; maar wat daar toch bergen en dalen en bosschen en lagchende velden er bieden, zoudt gij in deze zooveel minder bevoorregte streken u bezwaarlijk weten voor te stellen. En door de herinnering aan zijn vaderland als door de belangstelling zijner nu waarlijk schoone toehoorderesse medegesleept, begon zich onze Siddha in schilderingen van Hindostan's wereldberoemd paradijs te verliezen, wier welsprekende voordragt niet minder dan het uiterlijk van den verhaler den blik van wezenlijk welgevallen regtvaardigde, waarmede de luisterende nu en dan den edelen, krachtigen jongeling aanzag.
—Maar ik hield u te lang reeds bezig,—sprak zij oprijzend ten laatste,—en heb waarschijnlijk reeds misbruik gemaakt van uwe welwillendheid. Eén verzoek nog! Laat onze zamenkomst, ter wille ook van de belangen mijner vriendin, een geheim blijven tusschen u en mij. Van eenige beteekenis kan die vlugtige ontmoeting trouwens ook niet zijn.
—Voor u zeer zeker niet,—sprak Siddha,—voor mij echter meer dan gij schijnt te meenen.
—Ik zie,—hernam de andere lagchend,—dat gij, Hindoe's niet minder dan de onzen de kunst verstaat om u hoffelijk jegens vrouwen uit te drukken. Maar dat daargelaten! Een enkel woord ben ik u echter nog verschuldigd. Ik zou mij uw vertrouwen al zeer onwaardig toonen indien ik, zelve u kennend, mij voortdurend als geheel onbekende jegens u bleef gedragen, en ik zie dan ook geen bezwaar, mits onder geheimhouding altijd, u mijn naam en stand mee te deelen. Die is voor 't overige nederig genoeg. Mijn naam is Rezia; mijn vader was een Armeniër, die, hier gekomen om handel te drijven, mij vroegtijdig uithuwde aan een rijk, maar reeds tamelijk bejaard koopman hier in de stad. Sinds geruimen tijd is deze voor zijn zaken naar Perzië en verder nog naar het Westen getrokken; en in lang heb ik ook niets van hem vernomen. Inmiddels woon ik hier, zooals gij ziet, eenzaam en stil, hoewel anders niet verstoken van de aangenaamheden en de rustige genoegens van het buitenleven. Zoo weet gij dan ten minste voor wie gij u de moeite van een bezoek hebt getroost, al is het dat wij elkander na dezen niet verder mogten ontmoeten.
—En waarom, edele Rezia! zou dat niet mogen zijn?—vroeg Siddha; —niets, dunkt mij, behoeft u en mij daarin te verhinderen, en mogelijk zou ik u soms nog 't een en ander kunnen meedeelen van het land waar tegenwoordig uwe vriendin vertoeft, dat misschien in staat ware uwe belangstelling op te wekken.
—Welnu!—antwoordde Rezia,—niet geheel wil ik uw vriendelijk aanbod afslaan. Indien gij een dezer avonden soms nog een verloren oogenblik vindt, ik houd mij dan aanbevolen voor eenig berigt of de verzending van mijn schrijven geen bezwaar heeft gevonden en naar gissing goede kans heeft te slagen. Mijne dienares ontmoet u alligt hier of daar en gij hebt haar slechts een tijd te noemen om mij nogmaals een bezoek te brengen in mijn stil verblijf.
—En voor die gelegenheid wil ik u dankbaar zijn,—antwoordde Siddha, terwijl hij, zorgvuldig 't hem toevertrouwde stuk in zijn gordel verbergend, zich gereed maakte om voor 't oogenblik afscheid te nemen.
Op een hernieuwd teeken vertoonde zich nogmaals de vertrouwde dienares en deed Siddha weer uitgeleide langs denzelfden weg, die hem straks den toegang tot het paviljoen had verleend.
Te huis gekomen stond hij lang nog in gedachten voor de open veranda van zijn vertrek en staarde naar de zacht daar beneden voortstroomende rivier. Dat waren dan dezelfde wateren, die den voet van Allahabad's burgt besproeiden en waarin ook het liefelijk gelaat van Iravati zich weerspiegeld had! Was het niet als bragten die golven hem den groet der teeder beminde en als fluisterden zij hem woorden toe van liefde en van trouw? Snel nam hij het medaljon met Iravati's portret van den wand, kuste het en zette zich neder in de galerij. Lang nog bezag hij het beeld en beminnelijker dan ooit schenen hem de trekken der edele en schoone Hindoe-jonkvrouw. Maar zonderling toch ook! Als zijn blik soms weer afdwaalde en rondzwierf langs de paleizen en tuinen aan de boorden van den stroom, dan doemde ook weer een ander beeld in zijn herinnering op,… de bevallige houding, de sierlijke gestalte, de blauwe oogen, de bekoorlijke stem van Rezia, de Armenische. Wat die vrouw hem dan aanging? Zeker niets; maar wat kwaad ook van den anderen kant, zoo hij ze lief en innemend vond? Hij had toch waarlijk niet aan Iravati de gelofte gedaan, alle mogelijke andere vrouwen leelijk en onbehagelijk te zullen noemen!…
—Hallo!—klonk het 's anderen morgens vroeg in den voorhof van Siddha's woning,—is uw meester nog niet wakker? Ga eens en zie of ik hem stoor met een bezoek!
Juist wilde Vatsa aan het bevel gehoorzamen toen Siddha zelf, bezig zich gereed te maken om uit te gaan, terstond de vrolijke stem van Parviz, den neef van Aboel Fazl, herkende, en in den voorhof zich begevend, zijn bezoeker uitnoodigde binnen te komen.
—Hebt gij dienst?—vroeg deze.
—Een paar dagen niet.
—Nu, dat treft. Dan komt het u misschien wel gelegen eens een uitstapje te maken?
—Zeer gaarne! Waarheen?
—Wel! naar Fattipoer Sikri natuurlijk, de buitenresidentie van den Keizer. Daarheen zou alweer een ieder u voeren, die u voor 't eerst een togtje in de omstreken liet doen.
—Ik geef mij geheel over aan uwe vriendelijke leiding,—hernam Siddha,—veroorloof mij echter u een enkel oogenblik alleen te laten. Koelloeka vertrekt straks en ik wil hem dus even vaarwel zeggen.
Spoedig was hij, Koelloeka opgezocht hebbende, met het afscheid gereed, waarbij zijn leermeester zonder verder navragen zich met de overbrenging van den brief belastte; en kort daarop zat hij in den zadel en reed met Parviz, gevolgd door den dienaar van zijn vriend en den zijne, de stad uit.
Een breede laan, door vrij hooge boomen beschaduwd en met schoone vergezigten over de velden en bosschaadjen aan weerszijden, maakte den togt voor een groot deel tot een wezenlijk aangenamen wandelrid.
—Zie,—sprak Parviz, toen men een tijdlang had voortgereden,— zulke lanen heeft de Keizer nu ook laten aanleggen op andere en verre wegen, waar vroeger haast geen blad groeide en waar men van hitte verging. Een zeer nuttig werk voorzeker! En geen reiziger trouwens die er Akbar niet dankbaar voor is.
—Ja, de Keizer doet nuttige dingen!—antwoordde Siddha; en daarbij tevens aan den merkwaardigen man denkend met wien hij den vorigen dag over Akbar gesproken had, deelde hij Parviz in algemeene bewoordingen zijne ontmoeting mede en vroeg hem of hij den persoon kende, wiens uiterlijk hij beschreef.
—Neen, die is mij niet bekend,—zei Parviz, met moeite een glimlach bedwingend,—maar gij zult hem misschien wel eens weerzien.
—Waarschijnlijk wel,—hernam Siddha,—hij schijnt hier thuis te behooren. Maar vertel mij dan eens iets anders. Hoe komt het dat er hier zooveel mannen zijn die in 't geheel geen baard dragen? Ik dacht juist dat uwe Mohammedanen zoo bijzonder op een baard gesteld waren.
—Dat zijn zij ook, maar Akbar zelf denkt nu juist anders over de zaak. Zoo een kneveltje als het uwe of 't mijne kan er bij hem nog wel door, maar liefst ziet hij in 't geheel niets op iemands gezigt. Of dat nu enkel een gril is zooals men die ook bij de verstandigste menschen wel eens meer ontmoet, dan of hij met opzet de regtzinnig geloovigen wil plagen, of ook hun toonen dat hij om hunne vooroordeelen en vormbegrippen niet geeft, ik weet het niet, maar zeker is dat de zaak, zoo onbeduidend en kinderachtig ze schijnen mag, al tot heel wat onaangenaamheden en gehaspel heeft aanleiding gegeven. Doch hier naderen wij de woning van een der dorpshoofden in den omtrek, dien ik door mijn oom den Minister goed ken; willen we een oogenblik bij hem uitrusten en onze paarden wat water geven? Mijn bruin ten minste zal er wel naar verlangen; hij stond al een heelen tijd gezadeld eer ik uitreed.
Overeenkomstig het voorstel steeg men af in den binnenhof der nette en flink van hout en steenen opgetrokken, te midden van tamarindeboomen en acacia's gelegen boerderij; en weldra vertoonde zich op het geroep zijner onderhoorigen de eigenaar zelf, een Hindoe van middelbare jaren en deftig, magistraal voorkomen. Na de gewone pligtplegingen en terwijl de gastheer frissche vruchten nevens een kruik ijskoud kristalhelder water liet aanbrengen, kwam het gesprek, zooals te verwachten was, al spoedig op den landbouw en de bijzondere welvaart die er ook voor een weinig geoefend oog reeds terstond onder de landbouwende bevolking dezer streken viel op te merken, en die gunstig afstak bij 't geen Siddha in zijne eigene gewoon was te zien.
—Voor een deel,—verklaarde het dorpshoofd,—is die gelukkige toestand natuurlijk ons eigen werk; zonder arbeid en inspanning waren wij er zeker niet gekomen; maar grooten dank ook zijn wij den Keizer verschuldigd, wiens verstandig en bijzonder doelmatig stelsel van bestuur ons eerst tot eigen krachtsinspanning de regte gelegenheid gaf.
—Ik heb er van gehoord,—merkte Siddha aan,—maar om u de waarheid te zeggen, ik ben daaromtrent nog niet geheel op de hoogte.
—Toch is het zeer eenvoudig,—hernam de Hindoe,—en voor iemand van uwe beschaving gemakkelijk genoeg te vatten. Het gansche systeem toch berust in hoofdzaak op eene geschikte verdeeling der landerijen, eene vaste, billijk geregelde opbrengst der landrente, en bovenal op de regtszekerheid die het een en het ander den landeigenaar en den landbouwer verschaft. Vroeger ging alles tamelijk willekeurig, en wist niemand regt wat hem eigenlijk toekwam en wat hij op te brengen had, terwijl aan ons dorpshoofden meerendeels bleef overgelaten, met de regering de jaarlijksche opbrengst der velden, naarmate die soms voor-, soms nadeelig heette, te regelen: Thans is dat alles anders geworden. De velden zijn behoorlijk opgemeten en de grenzen vastgesteld; de opbrengst wordt met inachtneming van de meerdere of mindere vruchtbaarheid der daartoe in verschillende klassen ingedeelde gronden, over een bepaald aantal jaren geschat; en, wat niet het minste zegt, en tevens misschien wel het moeijelijkst te regelen viel, de daarnaar berekende landrente of belasting wordt zooveel maar doenlijk in geld, en niet meer als vroeger in voortbrengselen voldaan. En geen regeringsbeambten hebben meer te beslissen, wanneer daarover geschillen ontstaan, maar de regter alleen. Het gevolg van dat een en ander moet wel zijn, en is het ook, dat de landbouwer, eigenaar of pachter, nu eenmaal vooruit kan weten wat zijn land hem ongeveer zal kosten, wat hij te betalen heeft en wat zijn vrij beschikbaar eigendom blijft. En is het dan wonder zoo hij, met eenige energie, en goed zijn eigen belangen begrijpend, ook wezenlijk vooruitgaat en welvarend wordt waar hij te voren nauw zijn dagelijksche rijst kon verdienen? Trouwens gij ziet de vruchten, en kunt dus zelf oordoelen, hoewel gij 't nog beter zoudt kunnen indien gij onze landerijen en haar bewoners in den vroegeren toestand gekend hadt zoo als ik.
—De vergelijking met dien van mijn eigen land,—antwoordde Siddha,—moet wel tot gelijke uitkomst leiden als de uwe. Welk een zegen voor een staat, een vorst als Akbar te bezitten!
—Maar zijn raadsmannen mogen wij toch ook wel dankbaar zijn,— hernam de magistraat,—en in 't bijzonder Todar Mal, den schatmeester, die het stelsel eigenlijk uitwerkte, en Aboel Fazl, den Groot-Vizier, die er de laatste hand aan legt, door met de grootste strengheid alle afpersingen en knevelarijen van de regeringsambtenaren, met wie wij te doen hebben, tegen te gaan. En, scheen het al in den beginne, dat de staatsinkomsten door al deze maatregelen zouden verminderen, op den duur is juist het tegendeel gebleken; en zelfs al waren die inkomsten iets geringer, ze zouden toch nog in waarde gewonnen hebben, omdat ze nu zooveel vaster en beter verzekerd dan te voren zijn.
—Maar, geachte Heer!—vroeg Siddha,—bestaat er nu geen gevaar dat het stelsel, zoo uitnemend het zijn mag, weer in duigen valt als een min verstandig vorst eens den troon bestijgt?
—Ik geloof het niet,—was het antwoord;—als onze gemeenten eenmaal zekere regten verkregen hebben, kan geen despoot haar die ligt weer ontnemen. Gij weet, dat die gemeenten bijkans geheel en al zichzelve regeren door hare eigene overheden en daardoor tot op zekere hoogte onafhankelijk worden van den Soeverein. Wilde nu deze beproeven hare regten te verkorten tegen de adat in, dan zou hij als met duizenden kleine staatjes te doen krijgen en geen ambtenaren en geen soldaten genoeg vinden om die alle tot gehoorzaamheid te blijven dwingen. Of zoo 't hem al gelukte, de dorpen zouden meerendeels eenvoudig verlaten worden en de bevolking zou zich terugtrekken in ontoegankelijke bosschen en wildernissen. Voor 't overige laten onze dorpers den vorst ook van hun kant volkomen vrij in zijne handelingen. Hij mag oorlogvoeren met andere rijken zooveel hem lust en zoolang zijne schatkist het toelaat; en om intriges en twisten van het paleis geven onze gemeentenaren in het geheel niet; de meesten zelfs vernemen er zelden iets van.
—Een gelukkige toestand!—zei Siddha,—en voor beide partijen inderdaad heel gemakkelijk.
—Alleen de staats- en volkseenheid wordt er juist niet door bevorderd,—merkte Parviz op, zich nu ook mengend in het gesprek.
—Dat wordt zij ook niet,—antwoordde de magistraat,—maar zoudt gij dan meenen dat eene wezenlijke eenheid van den staat, anders dan in den persoon van den vorst, op zich zelve mogelijk was in een land als ons tegenwoordig Hindostan, waar zulk eene menigte van allerlei meest onderscheiden rassen en volken bij en door elkander woont?
—Ik erken dat het moeijelijk zijn zou, hoewel 't alligt zaak ware, er wat meer naar te streven dan tot nu toe gedaan wordt.
Een tijdlang nog werd het onderhoud, waarin vooral Siddha veel belang stelde, voortgezet; en daarop namen de beide vrienden afscheid van het beleefde dorpshoofd en vervolgden, hun paarden weer bestijgend, hun weg.
Een flinke, maar tamelijk lange rid, waarbij nog al eens halt moest worden gehouden om rust te nemen, bragt hen eindelijk in 't gezigt der hoogte, waarop het versterkt en door zware ringmuren omsloten paleis van Fattipoer was gebouwd. Mogt de aanblik der Agrasche paleizen indrukwekkend heeten, deze was het van zekeren afstand niet minder. Trotsch en statig, maar als altijd bevallig en sierlijk tevens, verhieven zich, als terrasgewijze boven elkander geplaatst, de verschillende luchtig omhoog rijzende gebouwen met hunne vlug opgetrokken torens en fijne kanteelen en breede, hel in 't zonlicht glanzende marmeren trappen, afgewisseld alles door het groen der tamarinden en andere boomen, waaruit ze deels te voorschijn traden om ook deels weder zich daartusschen te verbergen. Doch toen Siddha met zijn geleider, nadat zij de paarden aan de zorg hunner dienaren hadden toevertrouwd, den eigenlijken omkring van het paleis zelf was binnengetreden, gevoelde hij zich schoon minder verrast, toch aangenamer aangedaan door het vrolijker en genoegelijker voorkomen dezer, voor 't overige met niet minder weelde en sierlijkheid ingerigte gebouwen en vertrekken dan door het gezigt der veel meer uitgestrekte van Agra. Ook de tuinen schenen hem bevalliger en meer bevredigend voor het oog, daar toch hier althans geen geweld was gedaan aan de natuur, en lanen en slingerpaden, met vermijding van de eentoonige regtheid en het onveranderlijk waterpas, de bogten en verhevenheden bleven volgen, door het bewogen terrein en den plantengroei zelven aangewezen. En dan, welk een heerlijk en verkwikkelijk vergezigt over de omliggende heuvelen en met rijken oogst beladen bouwvelden, en de als zilver glanzende rivier daar omlaag en het, wel is waar kunstmatig aangebragte, maar daarom niet minder schilderachtig meer in het verschiet!—Geruimen tijd bleven de bezoekers daar ronddwalen, nu eens langs eenzame wandelpaden, dan weer door de met wachters en dienaren vervulde galerijen, tot eindelijk Parviz den voorslag deed, een zijner vrienden in de lager gelegene stad te gaan opzoeken om daar hun intrek te nemen en tevens een beter maal te gebruiken dan men onderweg had kunnen vinden.
Natuurlijk vond ook dit voorstel gereedelijk gehoor; en nadat men bij den gastvrijen vriend van Parviz de noodige rust had genoten, en zich door een hartig en tevens vrolijk maal had gesterkt, begaven onze vrienden zich weer op weg om nog 't een en ander van de stad zelve te zien.
—Vergun mij,—sprak Parviz,—u voor weinige oogenblikken aan u zelven over te laten. Ik heb hier nog eenige stukken op last van mijn oom aan een van zijne ambtenaren over te brengen, en dezen over eenige zaken te spreken waarin gij zeker geen belang zoudt stellen. Hij woont hier in de nabijheid en ik ben zoo aanstonds bij u terug. Inmiddels hebt gij daar tusschen de acacia's ginds een vrij ouden tempel, dien gij misschien wel eens zult willen bezigtigen. Des verkiezende kunt gij er ook uwe devotie verrigten.
—Wel verpligt,—antwoordde de ander lagchend,—daaraan ga ik mij niet te buiten. Maar zeer gaarne wil ik den tempel eens bezien. Ik zal u daar dan of in de nabijheid wachten.
Spoedig ontwaarde Siddha, toen hij de zware en flauw verlichte gewelven was binnengetreden, aan de talrijke zinnebeeldige versieringen der zuilen, dat hij zich in een çiva-tempel bevond; en na eenige gangen te zijn doorgegaan, aanschouwde hij dan ook aan 't uiteinde van een soort van hal en van boven verlicht het kolossale beeld van den God, met de beenen kruiselings op een hoog voetstuk gezeten, de armen en enkels met eene menigte van ringen versierd, het teeken van den drietand op het voorhoofd en een keten van doodshoofden om den hals,—çiva, den Oneindigen en Almagtigen Wereldheer, scheppend om te vernielen, en vernielend om te scheppen op nieuw, het eindeloos in zijn openbaringen zich vervormend Wezen, waaruit alle Zijn voortspruit en waartoe het Al gestadig terug moet keeren. Zoo goed nu onze jonge Indiër de begrippen kende, welke die beeldtenis en hare symbolen vertegenwoordigden, en zoozeer hij daarvan ook de betrekkelijke waarde bleef erkennen, toch stuitte hem ook nu weder, zooals het vroeger bij dergelijk schouwspel gedaan had, niet weinig het wanstaltige en gedrogtelijke dier gedaante, die wel is waar zekeren indruk bij den eersten aanblik kon maken, doch wel bezien de voor 't overige inderdaad niet van schoonheid ontbloote bouworde van den tempel op hinderlijke wijze ontsierde.
Niet lang echter duurde zijne eenzame bespiegeling over dit een en ander; want achter zich vernam hij een oogenblik later een stem, hoewel de stilte niet door het geluid van voetstappen was verstoord geworden.
—Om!—klonk het,—om! U brengt de onwaardige dienaar van çiva's heilige echtgenoote, de in hem wonende Oneindige Kracht, zijnen groet.
En naar de plek zich keerend van waar de stem kwam, werd Siddha den Doerga-priester Gorakh gewaar, dien hij te Allahabad in gezelschap van zijn oom Salhana had gezien.
—Ik groet u, Eerwaarde!—sprak hij, en wachtte wat de ander hem te zeggen zou hebben.
—Zoo! wij zijn elkander dan nog niet vergeten sinds onze laatste ontmoeting,—hernam Gorakh;—trouwens wat mij betreft, ik heb u wél in 't oog gehouden, sinds ik daar ginds in de nabijheid van den Bhadrinâth u waargenomen heb.
—Nu ja,—zeide Siddha, een weinig ongeduldig,—laat dat zijn hoe 't wil. Maar ik begrijp eigenlijk niet, eerwaarde Heer! welk belang gij in mij stellen kunt.
—En zou dan,—vroeg de ander,—de neef van mijn leerling en vriend geen aanspraak mogen maken op mijne belangstelling? Maar ook daarom juist schijnt mij pligt, u een waarschuwing niet te onthouden, waar ik die noodig acht, en indien gij ze van mij wilt aannemen. Gij weet wie Gaurapada, de kluizenaar, is, niet waar?
—Gaurapada?—vroeg Siddha,—welzeker! Hij is een kluizenaar in 't gebergte.
—Ja, maar ik meen, wie hij was eer hij zijn tegenwoordigen naam droeg.
—Daar weet ik niets van. Hij heeft het mij niet verteld.
—Maar uw goeroe, Koelloeka, heeft het u toch medegedeeld?
—Ik heb er hem niet eens naar gevraagd en 't kan mij ook niet schelen.
Met een zijdelingschen, uitvorschenden blik zag Gorakh den spreker aan; maar deze ware geen rechte Indiër geweest, indien zijn gelaat in eene omstandigheid als deze niet de meest mogelijke onverschilligheid had vertoond. Ietwat minder voorzigtig echter liet hij, warm wordend bij 't indringende van den ander, er op volgen:
—En al wist ik nu ook nauwkeurig, wie en wat Gaurapada in vroeger tijd geweest mogt zijn, gij begrijpt dat ik 't u toch niet zou zeggen.
—Ha!—riep de Yogi uit,—gij vertrouwt mij niet! En gij meent mij zelfs te mogen tarten? Herinner u, dat ik een vriend van den Goeverneur van Allahabad ben!
—Ja, dat weet ik!—sprak Siddha met zekeren nadruk.
—Wat weet gij?
—Ik weet wat ik weet, en dat is genoeg!
Nijdig keek de priester Siddha aan. En tevens niet zonder ongerustheid. Wat beteekende dat gezegde op dien toon? En wat kon hij werkelijk weten? Doch voor 't oogenblik scheen in elk geval wel 't veiligst het toch niet vlottend gesprek maar af te breken.
—Nu, genoeg dan!—zeide Gorakh,—voor u en voor mij.
Doch bedenk één ding, mijn jonge vriend, die mijne vriendschap niet schijnt te begeeren!—en ik wil ze u ook niet opdringen!— bedenk, dat de magtige Godin, aan wier dienst ik mijne geringe krachten wijde, niet alleen behouden maar ook verdelgen kan, en dat er geen hoop op genade en geen kans op redding bestaat voor hem, dien zij eenmaal door hare priesters als uitverkoren offer haren getrouwen heeft aangewezen!
En in een der zijgangen verdween zonder nader antwoord af te wachten de geheimzinnige boeteling; en, hoe vastberaden anders ook, toch vermogt Siddha hem niet na te staren zonder een zeker gevoel van beklemdheid en onwillekeurigen angst. En 't scheen hem, hoewel de Doerga-priester thans werkelijk toch alléén was, als zag hij hem nogmaals gevolgd door dien langen stoet van naakte bruine gestalten met de witte koorden om den nek, met welken hij in de nachtelijke schemering hem langs den ringnmur van Allahabad had zien verdwijnen in het bosch.
Eer hij zich inmiddels ter ruste begaf dacht hem niet onnut, nog eene enkele vraag tot den trouwen dienaar te rigten, die hem in de woning van den vriend van Parviz afwachtte om te vernemen of zijn meester nog iets te bevelen had.
—Vatsa!—zeide hij,—gij hebt mij laatst in het park van Allahabad betuigd, dat gij evenmin als Koelloeka's dienaar daar een priester of boeteling hadt gezien. Maar herinnert gij u soms toch met eenig ander, u onbekend persoon gesproken en dezen misschien eene of andere bijzonderbeid van onze reis in 't gebergte verteld te hebben?
Ik zou er niet verder aan hebben gedacht,—antwoordde Vatsa,— maar nu ge 't mij zoo afvraagt, Heer! nu herinner ik mij wel, dat er in den omtrek der stallen een half naakt en bruin gekleurd man met ons kwam praten, en nadat hij ons 't een en ander omtrent de vesting en de stad had verteld, ook naar onze reisontmoetingen vroeg.
—En gij hebt hem toen van mijn geval met den tijger van Gaurapada verteld?
—Ik geloof inderdaad van ja!
—En zeidet gij soms ook iets omtrent den kluizenaar en diens uiterlijk voorkomen?
—Zeker!—antwoordde Vatsa,—juist zijn eerbiedwaardig en tegelijk vorstelijk voorkomen had in 't bijzonder onze aandacht getrokken; wij waren er beiden nog vol van en daar wij niet wisten dat er kwaad in stak er van te spreken, maakten wij ook geen geheim van onze ontmoeting tegenover den vreemde.
—Wien gij dus ook het uiterlijk van Gaurapada eenigermate zult beschreven hebben?
—Nauwkeurig herinner ik mij dat niet meer; maar ik geloof wel dat wij er iets van meldden.
—Bedenkelijk!—mompelde Siddha in zichzelf,—inderdaad nog al bedenkelijk! De priester heeft natuurlijk door zijn handlanger omtrent onze reis vernomen wat hij weten wilde om mij te overbluffen, maar schijnt tevens tot eenig vermoeden omtrent Gaurapada te zijn gekomen. Dat hij straks mij zocht uit te hooren, is duidelijk genoeg. Maar wat kan hij met Gaurapada, of Nandigoepta, hebben uit te staan? En mijn oom Salhana? Of die er mee in betrokken zou zijn?…
—We hebben toch hoop ik geen kwaad gedaan door met dien onbekende te praten?—vroeg Vatsa ongerust, toen hij zijn jongen meester zoo in gedachten zag.
—Neen, neen!—antwoordde deze,—en zoo gij 't al gedaan mogt hebben, gij deedt het onwillekeurig en hebt dus geen schuld. We hadden ook voorzigtiger moeten zijn en u vooraf waarschuwen. Maar let nu op één ding, Vatsa! spreek voortaan met niemand meer over den kluizenaar, wie er ook komt om u naar hem te vragen! Hebt ge mij begrepen?
—Volkomen, Heer!—antwoordde de ander,—van nu af heb ik dien kluizenaar nooit gezien, of, zoo ik hem soms eens zag, ik ben volkomen vergeten hoe hij er uitziet.—
—Met dat al,—dacht Siddha,—zal nu toch Koelloeka, of, kan het, Nandigoepta zelf dienen gewaarschuwd te worden. Ik wil er voor zorgen zoodra ik een veilige gelegenheid vind; Salhana moge er nu mee te maken hebben of niet!
ZESDE HOOFDSTUK.
Selim
—Welaan, mijne heeren!—sprak de bevelhebber der Radjpoet's, die op het plein in de vesting met eenige zijner officieren stond te praten, terwijl de ruiters zich in gelid schaarden,—nu spoedig opgezeten en dan naar het kamp, waar zooals gij weet de Keizer heden wapenschouwing komt houden!
Vlug werd er aan het bevel voldaan, en weldra, nadat men buiten de vesting was gekomen, ging het in draf naar het kamp, dat op eenigen afstand van de stad in eene uitgestrekte vlakte was opgerigt. Een treffend schouwspel vertoonde zich aan Siddha's oog toen hij aan 't hoofd zijner afdeeling met de overigen eene kleine hoogte had bestegen en vandaar het veld in 't gezigt kreeg. Daar ter regterzijde eene gansche stad als 't ware van tenten, langs breede straten in de meest regelmatige orde nevens elkander gerangschikt, en in wier midden zich, roodgekleurd en met vergulde peervormige toppen, de Keizerlijke tent verhief, zoo men althans dien naam mogt geven aan dergelijk, schoon uit hout en doek zamengesteld, paleis. En aan de linkerzijde het uitgestrekte veld, waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen vertoonden, gepantserde en niet-gepantserde ruiters in bonte, veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten, en een weinig meer in de verte ook die vrolijker uitgemonsterde, op wier rug gemakkelijke met kussens voorziene en van boven tegen de zon bedekte zetels tot voertuig strekten voor aanzienlijke, meest gesluierde vrouwen, die de wapenschouwing kwamen bijwonen.
Eenigen tijd nadat ook de Radjpoet-ruiterij op de vlakte was aangekomen rukten de verschillende troepen, voorafgegaan door hare muziekkorpsen, op, om langs den Keizer en zijn staf te defileren, die daar op een eenigszins meer verheven terrein hen afwachtte. Naderbij gekomen behoefde Siddha wel niet lang in twijfel te staan, wien hij onder die groep van schitterend uitgedoste veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en edelgesteenten, nu als den Keizer zelven te beschouwen had. Wel onmiskenbaar toch was door zijne gansche houding die forsche man, die daar op zijn prachtig wit paard en den veldheerstaf in de hand, een paar passen vóór de overigen, en zijn baniervoerder en parasoldrager achter zich, de voorbijtrekkende troepen in oogenschouw nam. Maar tevens herkende hij ook terstond in den magtigen gebieder denzelfden persoon met wien hij in de tuinen van het paleis gesproken had, en omtrent wiens wezenlijken rang ook toen reeds, gelijk nu wel bleek, een inderdaad volkomen waar vermoeden bij hem gerezen was.
Op zijne beurt nu met zijn ruiters den Keizer voorbijtrekkend, boog hij, gelijk hij de anderen die hem vóórgingen had zien doen, zich voorover met omlaag gerigte lanspunt, en, tevens met een steelschen blik naar Akbar opziend, meende hij op het anders streng gelaat van dezen een ligten glimlach te bespeuren, die hem dra tot de overtuiging bragt dat de Keizer zijne nog al vrijmoedige woorden toch niet euvel scheen te hebben opgenomen. Ook herinnerde hij zich met zekere gerustheid dat Akbar, ééne Vlugtige opwelling van toorn nu daargelaten, ook voortdurend open en vriendelijk tot hem gesproken had. En eindelijk behoefde hij thans zoo erg niet meer tegen een voorstelling aan den grooten Keizer op te zien, die, naar Feizi hem had te kennen gegeven, waarschijnlijk wel na de wapenschouwing in het legerkamp zou kunnen plaats hebben.
Die verzekering werd ook niet gelogenstraft toen er rust voor de troepen was bevolen, en de officieren, die hierbij gemist konden worden, zich naar de voor hen bestemde gedeelten van het kamp hadden begeven. Daar toch zag Siddha al spoedig zich door Feizi wenken en op 's Keizers raadsman toetredend, werd hij door dezen naar de uitgebreide groep der van binnen niet minder weelderig dan de vertrekken van het paleis zelf versierde middententen geleid. Een oogenblik later bevonden zich beide in de hooge tegenwoordigheid van den vorst.
Niet weinig inmiddels verwonderde zich Feizi zelf toen hij Akbar terstond een stap voorwaarts zag doen en hem tot Siddha, wiens diepen groet hij met een genadige handbeweging beantwoordde, zonder de officiëele voorstelling af te wachten, hoorde zeggen:
—Wel! ik zag u straks in dienst, en 't scheen mij dat er eenmaal nog wel een geschikt officier uit u groeien kan. Zorg maar dat ge mij niet in die goede verwachting bedriegt!
—Ik kende,—vervolgde hij tot Feizi,—uw beschermeling al een weinig; wij hebben elkander reeds vóór eenige dagen ontmoet, hoewel hij toen niet raadde wie ik was.
—Had ik dat geweten, Sire!—sprak Siddha eerbiedig,—ik had daarom met geen meer ontzag tot Uwe Majesteit op kunnen zien dan ik toch reeds tot den mij onbekende deed.
—Maar toch waarschijnlijk wat minder vrij gesproken hebben,— vulde Akbar een weinig spotachtig het hoffelijk, maar blijkbaar ook ernstig bedoeld gezegde aan;—doch daarin stak op zich zelf geen kwaad, en ik hoor ook liever wat de menschen van mij denken dan te moeten raden naar 't geen zij over mij spreken achter mijn rug. Maar daarom dan ook, en naar aanleiding tevens van ons vorig gesprek, een bevel of liever, want wat ik verlang laat zich niet afdwingen, een verzoek: schenk mij ook in vervolg van tijd hetzelfde vertrouwen, dat gij, mij niet kennend, reeds in mij gesteld hebt! Gij ziet wel, het heeft tot heden u niet bedrogen. Wend u tot mij, niet tot anderen, als gij meent u over mij of de mijnen te beklagen te hebben. Klagten aan te horen weiger ik nooit; zijn ze ongegrond, dan tracht ik ze te wederleggen; zijn ze billijk, ik zoek naar herstel der grieven. Openhartigheid en gepaste vrijmoedigheid, mijn vriend Feizi kan het getuigen, wekken nooit in ernst mijn toorn; wel daarentegen valschheid en veinzerij.
En na nog enkele vragen en gezegden omtrent Siddha's meer bijzondere dienstbetrekking, wenkte de Keizer ten teeken dat het gehoor was afgeloopen, en verwijderde zich Feizi met zijn jongeren vriend, die natuurlijk niet weinig in de wolken was over zijn tweede onderhoud met den vorst, en ook niet naliet zijn medgezel het een en ander omtrent het eerste te verhalen.
—Nu, gij zijt wezenlijk een gelukskind,—sprak Feizi,—dat treft iedereen maar zoo niet, hoewel Akbar overigens niet moeijelijk is te genaken en doorgaans allen gaarne te woord staat. Gij schijnt inmiddels een gunstigen indruk op hem gemaakt te hebben, en dat verheugt mij van harte. Doch zie ik daar Parviz niet aankomen? Och jawel! Maar wat die hier komt uitvoeren? Wel, wel!—vervolgde hij, zijn neef toesprekend,—mijnheer de toekomstige staatsraad hier onder krijgslieden tusschen de tenten!
—Even goed, dunkt mij,—antwoordde Parviz,—als mijn waarde oom, de wijsgeer! Doch ik erken gaarne, dat ik voor 't overige evenmin kans zie hem ooit te evenaren in zijn staatsmanswijsheid en geleerdheid als in de wapenfeiten die hij bedreven heeft.
—Nu, geen komplimentjes, neef!—hernam de ander lagchend,—dat komt onder ons niet te pas. Maar weet gij wat ik eigenlijk denk? Gij zijt hier zeker gekomen om daar ginds een kijkje te nemen van de fraai aangekleede olifanten; de schoone dochter van Todar Mal is stellig weer niet vreemd aan uw verschijning, al moogt gij haar eigenlijk niet eens zien.
—Oom! zeg ik op mijne beurt, geen verraden van mijn geheimen! Hoewel ik—voegde Parviz rond en goedhartig er aan toe,—die anders niet voor mijn vriend Siddha verborgen wil houden. Te minder omdat ik mij verzekerd reken van zijne belangstelling, wanneer hij van zijn kant aan zijne voorzeker niet minder beminnelijke verloofde denkt. Maar,—zeide hij tevens, zich tot Siddha wendend,—zoover als gij ben ik ongelukkig nog bij lange niet. Of ik misschien al eenige gunst in de oogen der dochter zal mogen vinden, van den vader durf ik mij gansch niet verzekerd houden.
—Dat zal mettertijd wel teregtkomen,—merkte Feizi goelijk op,— doch genoeg voor 't ogenblik van ons vertrouwelijk gesprek! Ziehier anderen, voor wier ooren dat alles zeker niet bestemd kan zijn.
—Wie is dat?—vroeg Siddha, toen hij een groep ruiters zag naderen in wier midden zich een jongmensch, welligt enkele jaren ouder dan hij zelf, maar toch anders van ongeveer gelijken leeftijd, vertoonde, en wiens uiterlijk voorkomen hem om meer dan eene reden wel opmerkelijk scheen. Vooreerst om de wezenlijk overdadige pracht zijner kleeding. Over het fijn goudlakensch kleed droeg hij niet minder dan vier snoeren buitengewoon groote paarlen; de tulband was met een hooge reigerveder en drie juweelen van onschatbare waarde getooid; en om de armen droeg hij, tot aan de ellebogen, reijen van banden alle met edelgesteenten bezet, terwijl aan elken vinger een ring was gestoken. Om niet eens van de diamanten en paarlen te spreken, die zijn wapenen en het tuig van zijn paard versierden. Maar hoe zonderling bij al dat geflonker het bleek en vermoeid gelaat afstak, waarvan de vaalheid nog meer scheen uit te komen door de gitzwarte oogen en de scherp afgeteekende knevels en wenkbrauwen. Oorspronkelijk waren die trekken ongetwijfeld schoon en edel te noemen, maar zij waren vervallen en verouderd vóór den tijd en droegen de onmiskenbare teekenen van menigen anders dan in wijsgeerige bespiegeling en onthouding doorgebragten nacht.
—Hoe! kent gij dien nog niet?—vroeg Feizi,—dat is Selim de zoon van den Keizer en zijn aangewezen opvolger.
Met een zwijgenden groet wilde de Kroonprins voorbij rijden, maar hij bedacht zich en, zijn paard naar Feizi en Parviz wendend, zeide hij:
—Mijne heeren! 't is mij lief u juist hier te ontmoeten; ik wacht dezen avond eenige vrienden in mijn paleis voor een klein feest; wilt ge mij niet 't genoegen ook van uw bijzijn schenken?
—De vraag—antwoordde Feizi,—ware mij in elke omstandigheid een bevel, zoo ik niet heden juist door een hooger werd verhinderd er aan te gehoorzamen, De Keizer heeft mij voor dezen avond bescheiden.
—O zoo!—hernam Selim met een half minachtenden glimlach, hoewel overigens naar 't scheen juist niet rouwig om de weigering;—gij moet mijn vader zeker weer les gaan geven in uw ongeloovige wijsbegeerte, niet waar?
—Wat ik persoonlijk doe,—was het antwoord,—blijft geheel ter beoordeeling van Uwe Hoogheid; maar wat de Keizer goed mag vinden, staat, dunkt mij, boven Haar oordeel en het mijne. Ook zou de vraag nog mogen heeten wiens avond wel het nuttigst besteed zou zijn.
—Nu maak u maar niet boos, edele Feizi!—sprak de Prins vergoelijkend,—ik meen het zoo kwaad niet. Doch moet ik u dan uwe avonden laten, gun mij ook de mijnen! En gij Parviz!—ging hij, tot dezen zich keerend, voort,—hebt gij ook soms zoo zwaarwigtige bezigheden, die u van een onschuldig genoegen moeten terughouden?
—Volstrekt niet,—antwoordde Parviz,—en al had ik die, ik zou niets liever wenschen dan ze ter zijde te mogen stellen voor een festijn in Selim's paleis. Maar veroorlooft mij, zoo de vraag niet onbescheiden is, Uwe Hoogheid, een nieuwen vriend van mij voor te stellen?
En Siddha, die achteruit was getreden, wenkend om nader te komen, meldde hij diens naam en rang.
—O ja!—sprak Selim,—ik herinner mij zoo iets van zijne komst hier vernomen te hebben. Wilt gij,—vroeg hij Siddha,—soms heden avond uw vriend begeleiden, gij zult mij genoegen doen.
—Ik stel de eer op hoogen prijs,—antwoordde Siddha met een hoffelijke buiging.
—De eer, nu ja!—zei Selim,—die geeft niet veel; ik heb niets te beteekenen hier aan het hof; maar ik hoop dat onze bijeenkomst u eenig genoegen mag verschaffen. Tot den avond alzoo!
En zijn paard wendend vertrok de Prins met zijn gevolg.
—Vergunt mij; geëerde vrienden!—zei hierop Siddha,—nu ook mijn afscheid te nemen; 't wordt tijd mijn ruiters weer op te zoeken.
—Indien gij wilt,—sprak nog Parviz vóór het scheiden,—kom dan tegen den avond mij afhalen; mijn woning ligt in uw weg, en dan gaan wij zamen.
—Met genoegen!—antwoordde de ander en begaf zich terug naar zijn post.
Dat de pracht van Selim's paleis ook aan die zijner kleedij zou beantwoorden, had Siddha natuurlijk wel vermoed; maar toch vond hij zijne verwachting nog overtroffen door de ongehoorde weelde toen hij, langs verscheidene voorvertrekken en tusschen reijen van dienaren door, de zacht maar overvloedig verlichte en niet al te groote hal was binnengetreden, waar de Kroonprins met zijn vrienden zich bevond. De zalen van het Keizerlijk paleis hadden met al haar uitgezochten rijkdom nog iets ernstigs en gestrengs; maar hier ademde alles, tot zelfs de overigens steeds bevallige Moorsche bouworde en het schitterend dekoratief, niet dan zucht naar weelde en een jagen naar het meest onbeperkte zingenot. Veelkleurige zijden en goudlakensche voorhangsels neergolvend van de als fijne kanten uitgehouwen bogen, en halverwege het keurig mozaïekwerk in de met verguldsel afgezette marmeren wanden bedekkend; digte bloemengroepen, bedwelmende geuren verspreidend alom; breede, de lichten weerkaatsende spiegels; mollige tapijten van phantastische teekening; lage en tot weeke rust verlokkende divans; als kleine heuvels opeengestapelde gouden en kristallen drinkschalen, en marmeren en porphieren koelvaten van allerlei vorm; en aan de breede zijde der zaal een soort van tooneel, waarop zich straks de danseressen en speellieden zouden vertoonen; alles door tal van in bontkleurige ballons gevatte lampen verlicht;—ziedaar ongetwijfeld een aanblik, die ook een bezoeker van Indische paleizen nog wel bij den eersten oogopslag kon verbaasd doen staan.
Al spoedig had Selim, rondziende langs den kring der gasten, die, in groepen verdeeld, hier op de divans zich hadden nedergezet, daar met elkaar stonden te praten, de nieuw aangekomenen ontdekt, en kort daarna op hen toetredend, sprak hij:
—Zijt welkom, mijne heeren! in mijne nederige woning! Ik wil hopen, gelijk ik dezen morgen reeds zeide, dat de avond ons eenig wederzijdsch genoegen mag schenken. Laat het u inmiddels gezegd zijn, de etiquette behoort ditmaal niet tot de vermakelijkheden; wij trachten, althans voor dit oogenblik, vrienden onder elkaar te zijn.
De Prins wendde zich tot anderen; en op eenmaal zag Siddha eene hem welbekende, maar hier op dit oogenblik niet verwachte figuur naderen,—die van Salhana, den Goeverneur van Allahabad.
—Wel, neef!—sprak deze, hem de hand gevend,—dat doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Ik ben zoo straks aangekomen en vond juist bij tijds in mijne woning eene uitnoodiging van den Prins, die mij hier in Agra verwachtte.
—En,—vroeg Siddha,—hoe is het ginds, en hoe gaat het….
—Iravati? vulde Salhana aan—heel best. Zij laat u groeten. Doch zie eens, daar komt een man met wien gij kennis moet maken, ook al is hij voor 't oogenblik niet bijzonder gezien ten hove. Hij heeft met dat al niet weinig te beteekenen. Een nieuwe kennismaking was evenwel overtollig; want de naderende bleek niemand anders dan Abdal Kadir Badaoni, de Islamietische ijveraar, te zijn, dien Siddha reeds in het Keizerlijk park met Akbar zelf had gezien. Tot zijne verwondering begroette diezelfde man zijn oom, schoon toch even goed een ongeloovige als hij, nog al tamelijk beleefd, terwijl hem zelf nu ook iets ten deel viel wat als eene soort van hoffelijke ontvangst kon worden aangemerkt.
—Ik zag uw neef toevallig reeds vroeger,—sprak Abdal Kadir toen Salhana hem wilde voorstellen,—en ik wil hopen,—vervolgde hij tot Siddha,—dat gij mijne toen gesproken woorden in de beteekenis zult willen opvatten die ik zelf er aan gaf; gij ziet nu wel dat personen mij nog niet gehaat zijn al moet ik hen bestrijden om hun dwalingen.
—Ik eerbiedig uwe gevoelens, edele Heer!—antwoordde Siddha,—al betreur ik ook dat gij 't niet eveneens de onzen kunt doen. Misschien ….
—Wat misschien?—begon Abdal Kadir opstuivend.
—Neen, neen, mijn waarde heeren!—sprak nu Salhana, tot vrede manend,—geen getwist nu, wat ik u bidden mag, over uwe wederzijdsche gevoelens omtrent geloofskwestiën! Bedenken wij liever wat feitelijke gevaren ons allen, ons Indiërs zoowel als ulieden, trouwe zonen van den Profeet, bedreigen, indien de plannen eens verwezenlijkt werden, die ginds door hooger gestelde magten schijnen ontworpen te worden!
Enkele andere personen, blijkbaar mede wel vertrouwde bekenden van Salhana en den Mohammedaan, hadden zich inmiddels bij de sprekenden aangesloten, terwijl Parviz zich met eenige jongeren naar een ander gedeelte der zaal had begeven. Allen luisterden met opmerkzaamheid, doch tevens een nauw gesloten kring vormend, waar geen ander, ongenoode, zich had weten binnen te dringen.
Bedenken wij—ging Salhana voort, op wel verstaanbaren maar toch fluisterenden toon,—wat ons gebeuren moet, indien wij eens gedwongen werden ons allen openlijk aan de zonderlinge, tegen ons aller begrippen en zeden strijdende eeredienst te onderwerpen, die de anders zoo hoog geëerbiedigde Keizer ons, hoe dan ook, schijnt te willen opdringen. Hoe nu? Zoudt gijlieden Mohammedanen, de tegenwoordige beheerschers van het land, uw Allah verloochenend, dan in aanbidding voor zon en sterren willen nederknielen, en misschien….
—Bij den baard van den Profeet!—begon Abdal Kadir, de hand aan 't gevest van zijn sabel slaand,—we zouden….
—Bleef het daar nog maar bij,—hernam de ander,—doch er is nog erger. Denkt maar eens aan de woorden: "Allahoe Akbar", die tegenwoordig op munten en firmans gevonden worden! Die schijnen ongetwijfeld heel onschuldig als men ze in den zin van "God is groot" verstaat; maar zij kunnen immers ook nog iets anders beteekenen, te weten: "Akbar is God."
—Dat gaat zeker alles te buiten!—riep Abdal Kadir nu in volle woede uit; maar Salhana kwam weer tusschen beiden.
—Laat ons bedaard blijven!—zeide hij,—we hebben hier trouwens nog maar te doen met onderstellingen, die mogelijk ook, zooals ik zou hopen, ongegrond zullen blijken te zijn. Maar als het toch eenmaal zoo eens was, dan vraag ik, zoudt gij u kunnen en mogen onderwerpen, of ook wij, die tot heden de meest volkomen vrijheid genoten om dat geloof te belijden, wat wij erfden van onze vaderen en naar onze overtuiging het beste en redelijkste scheen? Beviel de laatste vraag al iets minder aan Abdal Kadir dan de vroeger gestelde, op Siddha maakte zij des te meer indruk. Dat Akbar aan de stichting van een nieuwe godsdienst dacht, was hem wel reeds eens ter ooren gekomen; maar of hij daarmede nu ook werkelijk gewetensdwang beoogde. En als 't eens zoo zijn mogt?…
—Daarom,—besloot Salhana,—geen onderlinge twist! Maar laat ons gezamenlijk toezien, en, moet het, ons eendragtig door geoorloofde middelen trachten te beveiligen tegen de gevaren, waarmee het, vrees ik, maar al te zeer door dweepers en door intriganten gevoed idealisme van een anders voortreffelijk vorst ons dreigen mogt! Doch ik geloof, dat de Prins reeds het teeken heeft gegeven om ons eigenlijk festijn te doen beginnen. Breken wij dus voor 't oogenblik ons onderhoud af! Ik blijf mij inmiddels aanbevelen, mijne heeren! voor uw nader gevoelen over 't gesprokene. Mogelijk verkeer ik gansch in dwaling. Ik mogt het van harte wenschen!
Terwijl de gasten bezig waren eene plaats op de verschillende divans te zoeken, hoorde Siddha, een der groepen voorbijgaande, een paar woorden die zijne opmerkzaamheid trokken.
—En Kaçmir?—vroeg een der sprekers,—zijn er berigten?
—Heel goede!—antwoordde de toegesprokene;—de mijn kan haast springen.
—En de brief?
—In de beste handen!
Andere gasten scheidden Siddha van de twee wier gesprek hij daar toevallig aanhoorde, en weldra zag hij niet ver van Selim zich tusschen eenige hem nog onbekende jongelieden geplaatst, doch met wie hij spoedig in gesprek was, terwijl de talrijke dienaren verschillende ververschingen aanbragten en de wijn rijkelijk in de gouden drinkschalen begon te vloeijen. Nu en dan kwamen hem nog wel de straks vernomen woorden voor den geest, maar de beteekenis bleef hem duister. Konden zij op die heimelijke twisten in zijn vaderland slaan, die naar Salhana's zeggen, door Akbar werden aangestookt? En die brief? Onwillekeurig maar ook slechts vlugtig dacht hij aan den brief van Rezia, dien Koelloeka had meegenomen, Maar wat kon die met staatkunde te maken hebben?
Weldra ook werd zijns opmerkzaamheid geheel door de danseressen ingenomen, die, begeleid door muziekanten, van achter een der voorhangen op het tooneel in het breede der hal waren verschenen en aldra, den bruingetinten boezem nagenoeg gansch ontbloot, maar daarentegen met lang, tot de voeten reikend gewaad, op de maat der snaren-instrumenten en cymbels eenige van die dansen begonnen uit te voeren, die ten allen tijde zoozeer in den smaak vielen beide van Indiër en van Musulman, en vaak uren achtereen hen weten bezig te houden. Tot afwisseling evenwel traden ook nu en dan zangers en zangeressen op, en vergastten de toehoorders met de voordragt van Perzische liederen, die bijzonder aan Selim en zijne vrienden schenen te behagen, maar Siddha een weinig eentoonig en ledig van inhoud voorkwamen.
—Waar blijft nu Rembha?—vroeg eindelijk de Prins,—ze zou ons iets nieuws komen voorzingen, een paar vertaalde stukken uit een oud Indisch gedicht, dat u, Siddha! zeker wel bekend zal zijn, het Gitagovinda, meen ik.
—O ja!—antwoordde Siddha,—de pastorale van Djayadeva, waarin de avonturen van den God Krishna met de herderinnen en zijn hereeniging met de schoone Radha beschreven worden. Ik heb er zelf ook wel eens een vertaling van beproefd.
—Nu,—hernam Selim,—laat ons dan eens luisteren! Daar komt Rembha al.
En op de estrade vertoonde zich een donker gekleurde schoone jonge vrouw, in rijk doch misschien wel wat heel weelderig kostuum, en ving half zingend, half reciterend, onder begeleiding eener zachte muziek aldus aan:
Nu de lieftallige atimoekta den mango doet siddren in minlijke boeijen, Nu ook Vrindavana's woud weer der Djamoena heldere golven besproeijen, Nu zich de lente aan de jeugd en de schoonheid, met haar tot verleiding geboren, Paart om den kluizenaar zelf in de rust zijner vrome overpeinzing te storen, Nu komt zich Krishna in 't voorjaar vermeijen, Droef voor verlaatnen alleen, en speelt kozend en danst met de dartlende reijen.
"Donker in 't gele gewaad, ligt met sandel bestrooid en met kransen omhangen, De oorringen schittrend in 't licht als de dans ze beweegt om de lagchende wangen, Schertsend en kozend met dartel gebaar Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar.
Deze, met zwellenden boezem, die digt zich daar zoekt aan zijn zijde te dringen, Neuriet een liefelijk lied, dat ze straks hem bij 't tokklen der luit hoorde zingen. De andre, wier rusteloos oog toont wat liefde en wat lust ze uit zijn blik heeft gedronken, Staat als verblind door den glans van zijn lotusgelaat in gedachten verzonken.
Gene, die slanke, die haastig hem nadert, als had ze iets in 't oor hem te fluistren, Drukt snel een vlugtigen kus op zijn wang, als hij lagchend zich buigt om te luistren.
Deze, door inniger hartstogt tot hem, den bekoorlijken herder getrokken, Wil hem, de hand aan zijn kleed, naar 't bosschaadje aan den oever der Djamoena lokken.
Zij, die daar danst bij den klank van de fluit naar de maat der zacht rinklende ringen, Weet hem door 't blijk van haar kunst tot een uitroep van blijde bewondring te dwingen.
Deze en die kussend ter vlugt, maar te vaster die innige aan 't harte soms prangend, Gene schalksch aanziend en deze, die tracht hem te ontsnappen, met de armen omvangend, Schertsend en kozend met dartel gebaar, Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar."
—De voordragt,—sprak Selim met reden, toen de zangeres een oogenblik ophield,—laat niets te wenschen over; maar wat dunkt u, edele Siddha! van de vertaling?
—Niet kwaad!—antwoordde de ander;—de denkbeelden zijn vrij wel teruggegeven, al zijn de woorden ook niet overal volkomen gevolgd. Dat is trouwens, ik erken het, ook heel moeijelijk met deze ietwat gemaakte en gezochte poëzie van den lateren tijd. Maar is de vertaler zelf niet bekend?
—Het is Feizi, met wien ik u dezen morgen zag spreken,—zei de Prins, even glimlagchend om de verlegenheid, die zich op Siddha's gelaat bij deze verklaring, in verband met zijn nog al meesterachtig oordeel, vertoonde.—Maar wees gerust,—vervolgde hij,—Feizi zal 't u stellig niet kwalijk nemen als gij zijn werk niet onvoorwaardelijk goedkeurt, maar u zeker voor elke teregtwijzing dankbaar zijn. Doch laat ons, Rembha! nog een enkel stuk hooren, en dan willen wij voor heden avond niet meer van u vergen.
—De klagt dan—sprak de zangeres,—van de verlatene Radha tot hare vriendin:
"Hem, die naar kussen begeerig, ginds 't landlijk vermaak zoekt met speelsche vriendinnen, Die ook zich harten zoo ligt door den lach der koraalroode lippen kan winnen, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken, Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!
Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom, kon het, zou wenschen te omvangen, Handen en voeten en borst met juweelen die 't duister verlichten omhangen;
Hem, wiens met sandel omwolkt en hel stralende voorhoofd de maan doet verbleeken, Hem, wiens onstuimige hart te vergeefs de verloorne om genade doet smeeken, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken, Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!"