← Table of contents
20.000 Mijlen onder Zee

Aan land.

Reading edition

Ik was zonderling te moede toen ik aan land stapte. Ned Land stampte op den grond alsof hij dien in bezit nam. Er waren echter nog maar twee maanden verloopen sinds wij, volgens de uitdrukking van kapitein Nemo, “passagiers op de Nautilus,” maar inderdaad gevangenen van den kapitein waren.

Binnen weinige minuten waren wij reeds op een geweerschot afstands van de kust het binnenland ingestapt. De grond was bijna geheel koraalvormig, maar enkele uitgedroogde stroombeddingen, waarin ik stukken graniet vond, toonden aan dat dit eiland tot de primaire aardvorming behoorde. Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet; groote boomen, soms van 60 tot 70 meter hoog, waren verbonden door slingerplanten, natuurlijke hangmatten, welke een licht windje heen en weder bewoog; aan den voet dier woudreuzen en onder het dichte bladerdak was de grond bezaaid met de schoonste en welriekendste bloemen. Zonder op al die schoone voortbrengselen van de Nieuw-Guineesche flora te letten, liet de Amerikaan het aangename voor het nuttige in den steek; hij zag een kokosboom, sloeg er eenige vruchten af, brak die door, en wij dronken de melk, en aten de pit met een smaak, welke deed zien, dat wij niet volkomen tevreden waren met de gewone spijzen op de Nautilus.

“Uitmuntend!” zeide Ned.

“Uitstekend!” antwoordde Koenraad.

Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.
Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.

Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.

“Ik geloof niet,” zeide de Amerikaan, “dat uw vriend Nemo er zich tegen verzetten zal als wij eene lading kokosnoten mede aan boord brengen?”

“Ik geloof het ook niet,” antwoordde ik, “maar hij zal er niet van willen proeven.”

“Zooveel te erger voor hem,” meende Koenraad.

“En zooveel te beter voor ons,” antwoordde Ned Land “des te meer houden wij.”

“Een woord slechts, Ned,” zeide ik tegen den harpoenier, die gereed stond om een anderen kokosboom te plunderen, “de kokosnoot is goed, maar voor dat gij er de sloep mede vollaadt, dunkt mij, dat wij eerst eens moesten onderzoeken, of het eiland geene even nuttige zaken oplevert. Versche groenten bijvoorbeeld, zouden door den kok van de Nautilus gretig ontvangen worden.”

“Mijnheer heeft gelijk,” antwoordde Koenraad, “en ik stel voor om in ons vaartuig drie plaatsen open te houden, eene voor vruchten, eene voor groenten, en eene voor wild; hoewel ik van dit laatste nog het minste of geringste niet gezien heb.”

“Koen, wij moeten aan niets wanhopen,” antwoordde Ned.

“Laat ons dan verder gaan,” hernam ik, “maar goed uit onze oogen zien, want al schijnt het eiland onbewoond, dan zouden er toch wel eens wezens op kunnen wonen, die minder kiesch dan wij op het soort van wild waren!”

“Nu, nu!” riep Ned, met eene beteekenisvolle beweging zijner kakebeenen.

“Wat, Ned?” riep Koenraad.

“Ik begin waarachtig te begrijpen,” hervatte de Amerikaan, “hoe pleizierig het menscheneten zijn moet!”

“Ned, Ned, wat zegt gij daar?” antwoordde Koen. “Gij een menscheneter: maar dan zou ik niet meer veilig bij u zijn, met wien ik mijne hut moet deelen. Zal ik dan nog eens half opgegeten wakker worden?”

“Hoor eens, vriend Koen, ik houd veel van u, maar niet genoeg, om u zonder noodzaak op te pruimen.”

“Ik vertrouw het maar half!” zeide Koenraad. “Komaan op de jacht; wij moeten volstrekt een stuk wild schieten om dien kannibaal tevreden te stellen, of anders zal mijnheer op een morgen niets anders vinden dan wat brokken van een knecht om hem te bedienen.”

Onder het houden van dergelijke gesprekken drongen wij in het sombere woud door, en doorkruisten dit gedurende twee uur in allerlei richtingen. Het toeval diende ons in het vinden van eetbare planten, en een van de nuttigste boomen uit de keerkringsstreken verschafte ons een kostbaar voedsel, hetwelk aan boord ontbrak. Ik bedoel den broodboom, die op het eiland Gueboroar veelvuldig voorkomt; deze boom onderscheidde zich van de andere door een rechten en 14 meter hoogen stam. De top was van bevalligen ronden vorm, en droeg groote gelobde bladeren; uit die bladerenkroon kwamen groote ronde vruchten van een decimeter lang, welke uitwendig zoo met stekels bezet waren, dat zij daardoor den schijn hadden van zeshoekig te zijn. Het is een nuttige boom, waarmede de natuur die streken, waar het graan ontbreekt, voorzien heeft en die zonder veel arbeid te vorderen, gedurende acht maanden van het jaar vruchten geeft.

Ned Land kende die vruchten wel; hij had er bij zijne talrijke reizen meermalen van gegeten, en hij wist ze goed open te krijgen. Toen hij ze zag werd zijne begeerte aanstonds opgewekt, en hij kon zich niet langer bedwingen.

“Ik mag sterven, mijnheer,” zeide hij, “als ik niet van dien broodboom eet.”

“Eet er van op uw gemak, vriend Ned; wij zijn hier om alles te beproeven; doe het dus.”

“Het zal niet lang duren!” zeide de Amerikaan, en met eene lens gewapend stak hij een hoop dood hout in den brand, dat weldra, helder opflikkerde. Gedurende dien tijd zochten Koen en ik de beste vruchten van den broodboom bijeen. Enkelen waren nog niet rijp genoeg, en haar dikke bast omvatte een wit, doch weinig vezelig merg. Anderen waren geel en geleiachtig, en wachtten slechts het oogenblik om geplukt te worden. In die vruchten zat geen kern; Koenraad bracht er een twaalftal aan Ned, die ze op een kolenvuur legde, nadat hij ze in schijfjes gesneden had; terwijl hij dit deed, zeide hij:

“Gij zult eens zien mijnheer, hoe lekker dit brood is.”

“Vooral als men in lang geen brood gehad heeft,” zeide Koen.

“Het is zelfs geen brood meer,” voegde de Amerikaan er bij: “het is een heerlijk gebak. Hebt gij dat nooit gegeten, mijnheer?”

“Neen, Ned.”

“Welnu, maak u dan maar gereed om iets heel lekkers te genieten. Als gij er dan niet weer naar verlangt, ben ik de koning der harpoeniers niet meer.”

Na weinige minuten was het gedeelte der vrucht dat aan den gloed van het vuur was blootgesteld geweest, geheel verkoold. Het binnenste was een wit deeg, een soort van week kruim, waarvan de geur aan artisjokken deed denken. Ik moet het bekennen, dit brood was voortreffelijk, en ik at het met groot genoegen.

“Ongelukkig,” zeide ik, “kan men zulk een deeg niet versch houden, en het komt mij onnoodig voor om er een voorraad van op te doen om mede te nemen.”

“Welnu komaan, mijnheer!” riep Ned Land uit, “gij spreekt als een natuuronderzoeker, en ik zal handelen als een bakker. Koen, haal eens een hoop vruchten op, die wij mede kunnen nemen als wij weer naar boord gaan.”

“En hoe maakt gij die gereed?” vroeg ik.

“Door uit het merg een gegist deeg te maken, dat zonder te bederven lang bewaard kan blijven. Als ik het gebruiken wil dan zal ik het in de kombuis laten bakken, al is het dan een beetje zuur, dan zult gij het toch wel lekker vinden.”

“Ik zie dus Ned, dat er niets aan dit brood ontbreekt?”

“Ik wel mijnheer; wij hebben nog behoefte aan eenige vruchten, of althans groenten er bij!”

“Laat ons die dan zoeken.”

Toen wij dien oogst bijeen hadden, gingen wij op weg om dit landelijk maal volledig te maken. Ons onderzoek was niet te vergeefs, en tegen den middag hadden wij een grooten voorraad bananen. Deze heerlijke vruchten uit de verzengde luchtstreek zijn het geheele jaar door rijp, en de Maleiers, die er den naam van pisang aan hebben gegeven, eten ze zonder ze te koken; te gelijk met de bananen verzamelden wij nog andere vruchten, onder anderen ananassen van buitengewone grootte. Doch deze oogst ontnam ons een groot deel van onzen tijd, dien wij overigens niet behoefden te betreuren.

Koenraad keek altijd naar Ned: de harpoenier liep vooruit, en terwijl hij door het bosch wandelde, verzamelde hij zonder zich te vergissen uitstekende vruchten om zijn voorraad volledig te maken.

“Ontbreekt u niets?” vroeg Koenraad.

“Hem!” kuchte de Amerikaan.

“Wat beklaagt gij u?”

“Al die planten en vruchten maken geen maal uit,” antwoordde Ned. “Hiermede eindigt een maaltijd, dat is het dessert. Maar de soep, en het gebraad, waar zijn die?”

“Zeker, Ned,” zeide ik, “gij hebt ons karbonaden beloofd, die tot het rijk der fabelen schijnen te blijven behooren.”

“Mijnheer,” antwoordde de Amerikaan, “de jacht is niet alleen niet geëindigd, maar zij is zelfs nog niet eens begonnen. Geduld maar, wij zullen nog wel een gevederd of behaard dier tegen komen, en is het hier niet, dan is het ergens anders....”

“En is het van daag niet, dan is het morgen,” voegde Koen er bij, “want wij moeten niet al te ver gaan, en ik stel zelfs voor om naar de sloep terug te keeren.”

“Wat, nu reeds?” riep Ned Land.

“Wij moeten voor den nacht terug zijn,” zeide ik.

“Maar hoe laat is het dan!” vroeg de Amerikaan.

“Ten minste twee uur,” gaf Koenraad ten antwoord.

“Hoe spoedig gaat de tijd aan den wal om,” zuchtte Ned Land treurig.

“Op weg,” riep Koenraad.

Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.
Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.

Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.

Wij kwamen dus door het bosch terug, en sneden daar nog eenige koppen uit jonge palmboomen, welke wij als kool konden eten, en vonden bovendien een soort van kleine snijboonen. Wij waren zwaar beladen, toen wij de sloep bereikten. Ned Land vond echter dat wij nog niet genoeg hadden. Het toeval begunstigde hem. Op het oogenblik dat wij ons zouden inschepen zag hij verscheidene boomen van 8 tot 10 meter hoog, die tot de palmsoorten behoorden: die boomen even kostbaar als de broodboom, worden met recht onder de nuttigste van den geheelen Maleischen Archipel gerekend. Het waren sagoboomen, die van zelven voorttelen zonder aangekweekt te worden, daar zij evenals moerbeiboomen loten schieten en zich zelven zaaien. Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest; hij nam zijne bijl, en die met groote kracht zwaaiende had hij er weldra twee of drie voor den grond doen vallen, wier met witte stof overdekte bladeren bewezen dat zij rijp waren. Ik keek er meer naar met het oog van een natuuronderzoeker dan van iemand, die uitgehongerd was. Hij begon met van elken stam eene reep schors van een centimeter breed af te scheuren, waaronder een net van lange vezels lag, dat uit niet te ontwarren knoopen bestond, en met een soort van gomachtig meel aan elkander zat geplakt. Dit meel was de sago, welk voedsel vooral door de bevolking van dezen Archipel genuttigd wordt. Ned Land stelde zich voor het oogenblik tevreden met den stam in stukken te hakken, zooals hij met brandhout zou gedaan hebben; hij behield zich voor om er later het meel uit te halen en op te zamelen, en om het, als het in de zon wat gedroogd was, in Tormen te laten hard worden.

Eindelijk verlieten wij tegen vijf uur s’avonds met al onze schatten het eiland, en een half uur daarna lagen wij weder naast de Nautilus. Bij onze komst verscheen er niemand, de groote ijzeren cylinder scheen verlaten; toen wij onzen voorraad aan boord hadden ging ik naar mijne kamer, waar het souper gereed stond; ik at en ging naar bed. Den volgenden morgen, 6 Januari, gebeurde er niets bijzonders aan boord. Geen enkel gerucht, geen enkel teeken van leven kwam tot mij. De sloep was naast het vaartuig blijven liggen op dezelfde plaats, waar wij haar den vorigen avond gelaten hadden. Wij besloten nog eens naar het eiland Gueboroar te gaan. Ned Land hoopte op de jacht gelukkiger te zijn dan den vorigen dag en wilde een ander deel van het woud bezoeken.

Met het opgaan der zon waren wij op weg. In weinige oogenblikken bereikte onze sloep met behulp van een gunstigen stroom het eiland. Wij gingen aan land, en omdat wij dachten dat het goed was als wij aan het verlangen van Ned Land voldeden, volgden wij hem, doch hadden werk om hem met zijne lange beenen bij te houden.

De Amerikaan liep de kust in westelijke richting langs, daarna doorwaadde hij eenige kleine riviertjes, en ging naar eene hoogvlakte, welke door wonderschoone bosschen begrensd werd. Eenige ijsvogels zwierven langs de riviertjes, doch lieten zich niet benaderen. Hunne schuwheid bewees mij dat die vogels wisten wat zij van wezens van onze soort te wachten hadden, en ik maakte daaruit de gevolgtrekking dat als het eiland al niet bewoond was, er ten minste van tijd tot tijd menschen kwamen.

Toen wij eene vrij weelderige weide door waren gegaan, kwamen wij aan den rand van een klein bosch, waar het gezang en gekweel van een groot aantal vogels ons vroolijk tegenklonk.

“Dat zijn nog maar vogels,” zeide Koenraad.

“Maar er zijn er toch bij, die men eten kan!” antwoordde de harpoenier.

“Ik geloof het niet, vriend Ned,” hervatte Koenraad, “want ik zie niets dan papegaaien.

“Vriend Koen,” was het deftige antwoord van den Amerikaan, “de papegaai is een fazant voor hem die niets anders te eten heeft.”

“En ik zal er nog bijvoegen,” zeide ik, “dat als hij goed wordt klaar gemaakt, die vogel nog wel de moeite waard is.”

En inderdaad, onder het dichte gebladerte fladderde een heirleger van papegaaien van tak tot tak; zij schenen slechts op een zorgvuldiger opvoeding te wachten om te kunnen spreken. Voor het oogenblik kakelden zij met wijfjes van allerhande kleur, en met deftige kakatoe’s, die over eenige wijsgeerige stelling schenen na te denken, terwijl schitterend roode vogels als een stuk scharlaken, dat door den wind wordt voortgejaagd, voorbij vlogen, te midden van een vogelenheir dat met de prachtigste kleuren was uitgedost; het was eene verscheidenheid van bevallige vogels, zooals ik nooit gezien had, doch die over het algemeen slecht om te eten waren. Evenwel ontbrak er aan deze verzameling nog éen vogel, welke nooit over de grenzen van de Papoea-eilanden gekomen is. Het toeval diende mij weldra ook hierin.

Na een niet zeer dicht kreupelhout te zijn doorgegaan, vonden wij eene vlakte met heesters bedekt. Daar zag ik prachtige vogels opvliegen, wier lange vederen hen noodzaakten om tegen den wind in te vliegen. Hunne dwarrelende vlucht, de bevalligheid der bochten, welke zij in de lucht beschreven de schittering hunner kleuren trokken bijzonder onze aandacht; ik herkende ze zonder moeite.

“Paradijsvogels!” riep ik uit.

“Orde der musschen, afdeeling der....” antwoordde Koenraad.

“Is het ook familie van de patrijzen?” viel Ned Land hem in de rede.

“Dat geloof ik niet; doch ik reken toch op uwe behendigheid om een van die prachtige dieren uit deze hemelstreek te vangen.”

“Ik zal het beproeven, mijnheer de professor, hoewel ik meer gewoon ben om met den harpoen dan met het geweer om te gaan.”

De Maleiers, die met de Chineezen grooten handel in deze vogels drijven, hebben verschillende manieren om ze te vangen, waarvan wij nu geen gebruik konden maken. Dan eens zetten zij strikken in de toppen der boomen; waarin de paradijsvogels bij voorkeur zich ophouden; dan vangen zij ze met lijmstokken; soms zelfs vergiftigen zij het water, waarin die vogels gewoonlijk gaan drinken. Wat ons betrof, wij moesten ze in de vlucht schieten waardoor wij weinige kans hadden om er een te krijgen; wij verspilden daarom ook een deel van onze ammunitie.

Tegen elf uur ’s morgens waren wij den eersten rand der bergen, welke zich in het midden des eilands verheffen, over, en wij hadden nog niets geschoten. De honger begon ons te plagen; de jagers hadden gerekend op hetgeen zij zouden schieten en daarin hadden zij ongelijk gehad. Gelukkig schoot Koenraad tot zijne groote verbazing twee dieren tegelijk dood en verschafte ons daardoor een ontbijt; hij schoot namelijk eene witte en eene houtduif, die vlug geplukt en aan een spit gestoken, voor een vuurtje van dood hout gebraden werden. Terwijl die beestjes gereed werden gemaakt, bereidde Ned Land eenige vruchten van den broodboom; daarna aten wij de beide duiven op en vonden ze voortreffelijk. De muskaatnoot, waarmede zij zich gewoonlijk voeden, geeft aan hun vleesch een zekeren geur, en doet ze overheerlijk smaken.

“Het is evenals jonge hoentjes, die truffels eten,” zeide Koenraad.

“En wat ontbreekt u nu nog, Ned?” vroeg ik den Amerikaan.

“Een viervoetig stuk wild, mijnheer Aronnax,” antwoordde Ned Land. “Al die duiven dat is maar bijwerk, en een mondterging; ik zal dan ook niet eer tevreden zijn voor ik een beest heb doodgeschoten, waarvan ik karbonade kan eten.”

“En ik niet, Ned, alvorens ik een paradijsvogel gevangen heb.”

“Laat ons de jacht dan voortzetten,” antwoordde Koenraad, maar naar den zeekant toe; wij zijn tot de helling der bergen genaderd en ik geloof dat het beter is om naar de bosschen terug te keeren.

Dat was een wijze raad, en wij volgden dien. Na een uur te zijn voortgegaan, waren wij in een waar bosch van sagoboomen gekomen; eenige onschadelijke slangen vluchtten voor ons uit; de paradijsvogels verdwenen als wij naderden, en ik wanhoopte er wezenlijk reeds aan om ze onder schot te krijgen, toen Koenraad, die vooruitging, zich eensklaps bukte, een blijden kreet slaakte en met een prachtigen paradijsvogel in de hand naar mij toe kwam.

“Bravo Koen, bravo!” riep ik.

“Mijnheer is wel goed.” antwoordde Koenraad.

“Zeker niet, mijn jongen; gij hebt daar een meesterstuk begaan om een van die vogels te vangen, en dat nog wel met de hand!”

“Als mijnheer hem eens goed bekijken wil, zal hij zien dat er zooveel verdienste niet in steekt.”

“En waarom Koen?”

“Omdat die vogel zoo dronken als een snip is.”

“Dronken?”

“Ja, mijnheer, dronken van de muskaatnoten, welke hij onder den boom, waar ik hem gevangen heb, opvrat. Kijk eens, vriend Ned, wat het vreeselijk gevolg der onmatigheid is?”

Ned Land stelde zich tevreden met een dozijn buideldieren.
Ned Land stelde zich tevreden met een dozijn buideldieren.

Ned Land stelde zich tevreden met een dozijn buideldieren.

“Duizend duivels!” antwoordde de Amerikaan, “het is wel de moeite waard om mij te verwijten hoeveel jenever ik sedert twee maanden gedronken heb!”

Ik bekeek ondertusschen den schoonen vogel; Koenraad bedroog zich niet: de paradijsvogel, dronken van het koppige sap, was onmachtig om zich te bewegen; hij kon niet vliegen, zelfs bijna niet loopen; dit verontrustte mij echter niet, en ik liet zijn roes stil uitwoeden. De vogel behoorde tot de schoonste der acht soorten, welke men op Nieuw-Guinea vindt; het was de groote smaragdkleurige paradijsvogel, een van de zeldzaamste; hij was drie decimeter lang; het kopje was betrekkelijk klein; de oogen, die dicht bij den bek stonden, waren ook klein; doch hij vertoonde eene wonderschoone afwisseling van kleuren, de bek was geel, de pooten en nagels bruin, de vleugels lichtbruin met purper aan de uiteinden, de kop en hals lichtgeel, de borst smaragdkleurig en de buik kastanjebruin. Boven den staart staken twee lange hoornachtige en met dons bedekte schachten uit, welke in zeer lichte en lange veeren van zonderlinge fijnheid eindigden. Zoodanig was het uiterlijk van dien uitstekend fraaien vogel, welken de inboorlingen dichterlijk “den vogel der zon” noemen. Ik wenschte dit prachtig exemplaar van de paradijsvogels mede naar Parijs te kunnen nemen om hem aan den Plantentuin ten geschenke te geven, waar er geen enkele levend is.

“Is hij dan zóo zeldzaam?” vroeg de Amerikaan op den toon van een jager, die uit een wetenschappelijk oogpunt zeer weinig om wild geeft.

“Zeer zeldzaam, wakkere vriend, en vooral hoogst moeielijk om ze levend te vangen; zelfs als zij dood zijn, worden deze vogels nog als een belangrijk handelsartikel beschouwd. Daarom hebben de inboorlingen een middel verzonnen om ze na te maken, zooals men paarlen en diamanten namaakt.”

“Wat!” riep Koenraad, “maakt men valsche paradijsvogels?”

“Ja, Koen.”

“En weet mijnheer hoe die inboorlingen dat doen?”

“Zeer goed: de paradijsvogels verliezen in den Oostmousson hunne prachtige staartveeren; deze worden door de namakers van vogels opgezocht en aan een te voren verminkten papegaai aangeplakt, dan verven en vernissen zij den vogel, en sturen die voortbrengselen hunner zonderlinge nijverheid naar de Europeesche museums of aan liefhebbers.”

“Mooi zoo!” riep Ned Land, “al is het dan de vogel niet, dan zijn het toch zijne vederen, en zoolang het beest niet gegeten wordt, zie ik er geen kwaad in!”

Al was aan mijne begeerte nu voldaan door het bezit van een paradijsvogel, de wensch van den Amerikaanschen jager was nog volstrekt niet vervuld. Gelukkig velde Ned Land tegen twee uur een groot boschvarken, dat de inlanders bari-outang noemen. Het dier kwam goed van pas om ons wezenlijk vleesch van een viervoetig dier te verschaffen; Ned was trotsch op zijn schot; het varken, door den electrieken kogel getroffen, was mors dood gevallen.

De Amerikaan sneed het open en haalde er de ingewanden uit; toen sneed hij er vast een half dozijn ribbetjes uit, welke hij voor ons avondmaal wilde roosteren; daarop ving de jacht op nieuw aan, welke nog blijken moest geven van de heldendaden van Ned en Koenraad; de twee vrienden, het kreupelhout doorkruisende, joegen een troep kangoeroe’s op, die op hunne lange achterpooten wegvluchtten; maar zij sprongen niet zóo snel weg of de electrieke kogel kon hen in hunne vaart nog wel stuiten.

“O, mijnheer,” riep Ned Land, wien de jagers woede naar het hoofd begon te stijgen, “wat heerlijk wild, vooral gestoofd! Wat voorraad voor de Nautilus! Twee, drie ... vijf voor den grond! En als ik denk dat wij al dat vleesch zullen opeten, en dat die gekken daar aan boord er niets van mede krijgen!”

Ik geloof waarlijk dat, als de Amerikaan niet zooveel gepraat had, hij in overmaat van blijdschap den geheelen troep zou doodgeschoten hebben! Maar hij stelde zich tevreden met een dozijn van die buideldieren; zij waren klein van stuk; het waren eigenlijk springkonijnen, die in holle boomen nestelen en ontzaglijk vlug zijn; maar al zijn zij klein, zoo is hun vleesch toch bijzonder gezocht.

Wij waren zeer tevreden over den uitslag onzer jacht. De vroolijke Ned stelde zich voor om den volgenden dag naar dit bekoorlijke eiland terug te keeren, dat hij zoo het scheen van alle eetbare dieren berooven wilde; doch hij rekende buiten den waard.

’s Avonds om zes uur waren wij weder op het strand. Onze sloep lag op hare gewone plaats; de Nautilus stak altijd als een lange klip op twee mijl van de kust boven de zee uit.

Zonder dralen begon Ned Land aan het gewichtig werk voor ons diner. Hij verstond de kookkunst bijzonder goed. Weldra verspreidden de varkensribbetjes, die hij boven een kolenvuur roosterde, een aangenamen geur. Doch ik bemerk dat ik den Amerikaan nadoe. Ik raak nu reeds opgewonden door een geroosterd varkensribbetje! Men vergeve het mij zooals aan Ned Land!

Om kort te gaan, ons maal was overheerlijk. Twee houtduiven kwamen ook op de spijskaart voor, en behalve dit en de andere vleeschspijzen eene sagopastij, brood van den broodboom, eenige manga’s, een half dozijn ananassen, en het uitgegiste sap van zeker soort van kokosnoten, waardoor wij wat opgewonden werden; ik geloof zelfs dat mijne waardige makkers niet zoo heel helder meer waren.

“Als wij van avond eens niet naar de Nautilus terug keerden?” zeide Koenraad.

“Als wij er eens nooit weder heen gingen?” voegde Ned er bij.

Op dat oogenblik viel er een steen voor onze voeten neder, en maakte een einde aan de voorstellen van het tweetal.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings