← Table of contents
Zonder geweer op jacht

Note 1 — INHOUD

Cilia Stoffel translation

Voor den jager zonder geweer bestaat er geen gesloten jacht op eenig wild, en ’t is grooter genot te jagen op een hinde met haar kalfjes dan op een tienender. Te land of te water—hij is altijd klaar; hij hoeft niet te zwoegen om wat te bereiken, behalve voor zoover hij dat zelf verkiest; teleurstelling is niet mogelijk, want of het dier in rust is, of opgejaagd, schuw als een raaf in de wildernis, of brandend van nieuwsgierigheid als een blauwe gaai, hij vindt altijd wat om in zijn hart te bergen op de plaats, waar hij datgene bewaart wat hij graag overdenkt. Alles is hem welkom, en al wat zijn blik maar snapt, op aarde, in lucht of water, is van belang voor hem. Nu zijn ’t de waterspinnen—schaatsenrijders noemen de jongens ze—die een grappig spelletje doen tusschen de grashalmen en nog merkwaardiger gewoonten hebben dan de gewone zakspinnen, die soms Jonathan Edwards’1 gedachten wegriepen van den gestrengen, onbeminlijken God zijner theologie, naar den geduldigen, zorgenden Dienaar van het Heelal, dien sommigen Kracht noemen, en anderen Wet, en dien één, die Hem kende, Den Vader heette, dezelfde onder de leliën des velds als in de steden de menschen. Dan weer is het een otter en haar jongen, aan de oppervlakte aan ’t spelen, die duiken als ze je zien en plotseling weer verrijzen bij je kano, als een balk die rechtovereind naar boven komt schieten. Met hun lichaam half uit het water om beter te kunnen zien, zeggen ze w-h-ie-ie-ie-joeh als een jonge zeehond, om uiting te geven aan hun verbazing over zoo’n wonderlijk ding in het water. Ofwel een duikermoeder, die haar jongen op den rug neemt zoodra ze uit het ei komen, en ze een poosje ’t meer ronddraagt, om ze door en door in de zon te drogen, eer ze onder ze uitduikt en ze voor het eerst nat maakt; en ge moet ze lang nagaan voordat ge ontdekt waarom. Of het is een berin met haar jongen—ik bespiedde er drie, wel langer dan een uur, op een middag, toen ze boschbessen plukten. In den beginne hapten zij ze van de struiken, stengels, bladen en al, zooals ze groeiden. Dan, wanneer ze een mooien struik vonden, een kleintje vol bessen, beten ze dien dicht boven den grond af, of trokken hem met wortel en al uit, namen hem dan met beide voorpooten bij den stengel, en trokken hem van links naar rechts door hun bek, terwijl ze er alle bessen afristen en den struik, die nergens meer voor diende, weggooiden. Ook wel sloegen ze met hun voorpooten tegen de struiken, zoodat de rijpste bessen er afvielen en schraapten ze dan heel zorgvuldig allemaal bij elkaar op een hoop, om ze in één hap te verslinden. En altijd als een van de beertjes, op zoek naar een mooien struik, merkte dat het andere bezig was met een ongewoon goeie vondst, kreeg je een grappige herinnering aan je eigen jongensjaren, wanneer ’t kleine dier jammerend toesnelde om zijn deel te krijgen eer alle struiken leeggeplunderd zouden zijn.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings