Note 1 — Voorrede.
Reading edition
Behalve voor ’t zeewezen heb ik, mede reeds zeer vroeg, een zonderlinge liefde gehad voor Woordeboeken1. Het feit moge eenige bevreemding baren, het is niet-te-min volkomen waar, en ik was een knaap van nog geen tien jaar, toen ik niet alleen talrijke Dictionnaires d’anecdotes en Dictionnaires de la fable van buiten kende, maar ook het min behagelijke woordeboek van Chomel, en een menigte artikelen van de Encyclopédie gelezen had. Men kan alzoo begrijpen welk een byzonderen smaak ik moest vinden in een werk, dat niet alleen tot de kategorie der woordeboeken behoorde, maar bovendien het Zeewezen betrof, te weten Winschotens Seeman. Ik was toen nog op dien gelukkigen leeftijd, waarin men gelooft, dat al wat in boeken gedrukt staat, waar is, even als alles wat groote menschen zeggen:—latere ondervinding nam my op een en ander punt vele begoochelingen weg, en zoo begon ik van lieverlede te bemerken, dat ook Winschoten, in zijn narichten, maar vooral in zijn afleidingen, geen byzonder vertrouwen verdiende. Deze ontdekking deed voor jaren by my de lust ontslaan, een verbeterde uitgave van dat werk te bezorgen, waarin niet alleen de misslagen van den schrijver hersteld, maar ook de talrijke ruimten zoo veel mogelijk zouden aangevuld worden. Reeds lang ging ik van dit ontwerp zwanger, toen my de verzameling van Spreekwoorden bekend werd, door den Heer Sprenger van Eyk verklaard2. Een mijner vrienden, voormalig zee-officier, aan wien ik dit werk ter lezing had verstrekt, deelde my daaromtrent een tal van aanmerkingen mede, hoofdzakelijk strekkende om te bewijzen, dat de geleerde schrijver zich over ’t algemeen te veel, of door zijn verbeelding of door verkeerde voorlichting, had laten leiden, en zijn arbeid alzoo met even veel omzichtigheid diende geraadpleegd te worden als die van Winschoten. De overtuiging hiervan geleidde my tot een andere, namelijk van het nut om een “verbeterden Winschoten” tevens te doen strekken tot een “betere handleiding voor hen, die den oorsprong en de beteekenis willen leeren kennen van spreekwijzen, aan het zeewezen ontleend.” Zoo zette ik my nu aan het verzamelen van bouwstoffen en aan het raadplegen van verschillende schrijvers, wier arbeid my van dienst kon zijn;—maar jaar op jaar weerhielden my verschillende omstandigheden om met ernst de handen aan ’t werk te slaan en uit den verspreiden voorraad mijn gebouw op te timmeren. Gewis zal die vertraging niemand verwonderen. By elk ander werk behoeft men alleen de luchtige schets van ’t geheel op het papier, des noods in ’t hoofd, te hebben, en men kan met schrijven een aanvang maken. Heeft men den kop, men komt van lieverlede ook aan den staart. Maar een Woordeboek is hierin van alle andere werken onderscheiden, dat het kop noch staart heeft, dat het als een cirkel in ’t rond loopt, dat de deelen in gestadige betrekking tot elkander staan en dat men niet aan ’t drukken, ja niet aan ’t overschrijven, gaan kan, voor dat het boek volledig is afgewerkt. Volledig!—een Woordeboek heeft nog dit eigenaardige, dat het nimmer volledig kan genoemd worden, en dat, ook in de beste, op de duizend woorden, die er in staan, er doorgaands honderd gemist worden.