Note 1 — WINNETOU GEVANGEN.
Reading edition
—Zoo? Onverschillig? Mij? wat een kerel! Ik heb hem lief als een zoon en ’t zou mij onverschillig zijn, wat hij doet? De kerel heeft kracht als een buffel, spieren als een mustang, een gehoor als van een muis, een oog als een valk en tamelijk veel hersenen in zijn hoofd. Hij schiet als de beste, rijdt als de geest der savanna1 en gaat, hoewel hij er nog nooit een gezien heeft, op den buffel en op den Grizzly los, alsof hij met een varkentje te doen heeft. En zulk een mensch, zulk een prairiejager, zulk een kerel, die nu reeds meer beteekent dan menig jager, die twintig jaar lang in de prairie heeft rondgezworven, ik zeg, zulk een mensch wil boeken schrijven! Is dat niet om gek te worden? Moet men zich verwonderen, dat een eerlijke prairiejager woedend wordt?