Note 1 — Vergeefsche Vredesonderhandelingen. 1574–1575.
D. C. (Dirk Christiaan) Nijhoff translation
Tot welk een oligarchie,1 nepotisme2 en onderdrukking dit heeft geleid, is genoeg uit de geschiedenis bekend. Het is de kanker van al haar rampen en van haar eindelijken ondergang. Wie bewondert dan niet het scherpe oog van den wijzen staatsman, Willem van Oranje, die al die fouten doorzag en zelf de middelen tot herstel aan de hand gaf. Hij wenschte een souvereine vergadering en geen souvereine regenten van steden; hij wenschte aandeel van de gemeente in het staatsbestuur en vrijheid van godsdienst ook voor de Roomsch-Katholieken. Maar noch het een, noch het ander vond goedkeuring bij de mannen van zijn tijd. Daartoe waren ze te autocratisch, te aristocratisch, te Calvinistisch. Eene definitieve regeling tusschen den Prins en de Staten bleef dus achterwege en Oranje behandelde voorloopig met eenige gedeputeerden de zaken. Dit kon alleen, omdat de Prins zulk een waarlijk groot staatsman was, die met een vast en edel doel voor den geest, de menschen, die met hem werkten, zoo volkomen wist te beheerschen.