← Table of contents
Wijsheid en Schoonheid uit China

Note 2 — HET CHINEESCHE TOONEEL.

Reading edition

In den vroegen morgen reed nu Si Ting San zelf het kamp uit. Hij was diep beleedigd door het voorstel van Han Lee Hoa, en had plechtig verklaard haar te zullen dooden. Han Lee Hoa zag dadelijk zijne wondere schoonheid en voelde zich dankbaar jegens haar Meesteres, dat zij hare onvermijdelijke verwantschap met den held vooruit had mogen weten. Maar terwijl zij hem in aanbidding aanstaarde riep hij schimpend: „barbaren-kind! kijk naar mijn zwaard!” en sloeg naar haar. Zij greep in elke hand haar korte sabel en weerde den houw af, roepende: „Mijne meesteres heeft mij gezegd, dat ik uit vorige levens de verwantschap van vrouw-en-man met u had, en ik moet met u trouwen. Als gij er in toestemt zullen mijne ouders u helpen, en zal ons rijk zich aan uw rijk onderwerpen.” Si Ting San was in ’t geheel niet ontroerd door deze naïeve bekentenis en schold terug als antwoord: „Schaamteloos, verachtelijk mensch, dat zelf over zoo iets durft te beginnen! Ik ben een groot generaal der Thang-dynastie, hoe zou ik ooit met een barbaren-meisje willen trouwen! Ge hoeft niet zoo verkeerd te denken, hoor.” Dit gezegd hebbende stak hij weer naar haar met zijn zwaard. Zij weerde den steek af, en vocht met hem tot over de dertig parades. Toen uitte zij „de rechte woorden” van haar tooverspreuk en ziet: hemel en aarde werden duister. Han Lee Hoa riep hare krijgslieden, die in het donker den held zonder moeite grepen en vastbonden. Zij ging vóór hem staan en zeide, half-lachend: „Ziezoo Si Ting San, nu zit je daar vastgebonden, als je nu mijn man wilt worden zal ik je vergeven en je loslaten.” Hij zag in, dat hem niets anders overbleef dan toe te geven, en dacht: „laat ik haar nu maar eens een keertje beet nemen,” en beloofde, als hij haar losliet, naar huis te gaan, en haar dadelijk de koppelaars te sturen2. Maar zij glimlachte, en zeide: „Generaal Si, meent ge die woorden wel? Leg een eed voor mij af, dan zal ik u gelooven.” Si Ting San dacht bij zich zelven: „laat ik voor dat meisje maar zoo’n beetje een hol eedje afleggen, waaróm niet?” en zwoer: „Als gij mij loslaat om in mijn kamp terug te keeren, en ik ondankbaar tegen u mocht zijn, moge ik halverweg tusschen Hemel en Aarde opgehangen worden, dat mijn lichaam moeilijk een veilig plaatsje kan vinden.” Toen Han Lee Hoa dezen eed hoorde bond zij hem zelf los, en liet hem zijn paard terug geven. Maar vóór hij een pijlschot ver weg was keerde Si Ting San zich om in den zadel en riep schimpend: „Schaamteloos, verachtelijk wezen, ik ben daar zooeven in je duivelsche listen gevangen, en door je vastgebonden, hoe zou ik dus ooit je man willen worden. Denk er maar niet verkeerd over. Laat je paard loopen en kom er met mij om vechten!” Toen volgde weer een strijd van tallooze parades. Eindelijk sprak Han Lee Hoa weer de tooverwoorden, en vóór hen verrees een hoog gebergte. Het meisje veinsde te vluchten, en de held vervolgde haar tot in het midden van de bergen. Plotseling hoorde hij een’ geweldigen donderslag. Achter en vóór hem was nergens meer een weg. Er was ook niets meer van Han Lee Hoa te zien, en Si Ting San zag dat hij beneden in eene diepe kloof was, met hooge bergen overal om hem, zoo steil, dat hij ze onmogelijk kon beklimmen. Hij was in radeloozen angst. Gelukkig zag hij héél boven op een berg een sprokkelaar aan het werk. Hij riep zoo luid hij kon om hulp, en toen hij gezegd had wie hij was, wist hij den man te overreden, om een lang touw neer te laten. Het touw werd om een boom op den berg geslagen, en Si Ting San werd door zijn redder opgeheschen, nadat hij het neêrgelaten eind om zijn middel stevig had vastgebonden. Maar juist was hij over den halven afstand van beneden tot boven opgetrokken, toen de sprokkelaar kalm heenging. In grooten angst riep de held: „Oude man, hoe laat ge mij nu zoo in het ledige hangen?” maar de sprokkelaar antwoordde: „Jonge veldheer! ge hebt zóó maar achteloos uw leven verpand door een valschen eed. Gij bedriegt anderen, laat ik u nu ook maar eens een keertje bedriegen! Dít is nu inderdaad halverweg tusschen Hemel en Aarde opgehangen zijn, en moeilijk een veilig plaatsje te vinden om uw lichaam te bewaren. Ik ga eens wat eten. Wacht dus maar een beetje!” En de sprokkelaar ging zijn weg. Tot overmaat van ramp zag Si Ting San van boven uit den pijnboom, waar het touw aan vastgehecht was, twee ratten komen, die aan de knoopen begonnen te knagen. Twee van de knoopen waren al gauw doorgebeten, en er bleef nog maar één over, die weldra ook door zou zijn. De held vreesde „tot zijn ziel niet meer bij zijn lichaam paste,”3 toen hij op eens boven op den berg een meisje zag, gevolgd door acht slavinnen. Hij riep luid om hulp. Een der slavinnen antwoordde hem, dat hij zijn naam moest noemen, en na over-en-weer gesprek bleek het dat het meisje een prinses was, en dat zij hem wel wilde redden, mits hij beloofde, elken wensch dien zij hem zou zeggen, welken ook, dadelijk te vervullen. Si Ting San beloofde gehoorzaamheid, en werd door de slavinnen opgetrokken. Boven op den berg was een bloemenprieel, waar de prinses hem opwachtte. Hij bedankte haar, en vroeg, welken dienst hij haar terug zou mogen doen. En de prinses antwoordde: „Han Lee Hoa, de discipel van de oude Moeder Lee San, heeft met u de verwantschap uit vorige levens. Hoe zoudt gij er over denken, om mij in deze zaak tot koppelaarster te nemen, of ben ik daar te min voor?” Maar hij antwoordde: „Ik ben al driemaal getrouwd. Deze zaak zal heel moeilijk gaan.” Toen de prinses dit hoorde riep zij: „Ondankbaar wezen, nu ik u gered heb, wilt gij mij niet gehoorzamen! Ik zal u door mijne slavinnen laten binden!” Vóór dat de slavinnen hem konden grijpen hoorde hij echter opeens een donderslag. Het prieel veranderde in een gevangeniswagen, waarin hij zat opgesloten. Naast den wagen reed Han Lee Hoa, die haar zwaard ophief en hem toeriep: „Als gij mij nu weêr niet gehoorzaamt sla ik u het hoofd af.” Toen antwoordde Si Ting San in grooten angst, dat hij berouw had, en nu stellig haar tot vrouw wilde nemen, als zij hem nog eens wilde loslaten. Hij moest eerst een nieuwen eed zweren, maar weêr bedacht hij zich, en zeide opzettelijk een valschen eed: „Als ik ondankbaar mocht zijn moge ik in den oceaan terecht komen—en toch niet sterven!” Toen werd hij losgelaten, en reed te paard weg. Nog was hij niet op een pijlschot afstands, of hij keerde zich weer om, en riep scheldend, dat hij het barbaren-meisje nooit tot vrouw zou nemen, en daagde haar weer uit te komen strijden. Zij hadden niet meer dan tien parades gevochten, of Han Lee Hoa sprak weer de tooverwoorden. Hemel en Aarde werden duister, en er verschenen vier reusachtige helden uit de lucht. Vóór Si Ting San van den schrik bekomen was en met de reuzen kon gaan strijden, lag hij plotseling midden in een grooten oceaan. Gelukkig ging er juist een schip voorbij, waarin een vreemde prins met zijn gevolg voorbijzeilde. De drenkeling werd behoorlijk aan boord geheschen en voor den prins gebracht. Deze hoorde eerst het verhaal van Si aan, hoe hij daar zoo in de zee kwam te liggen, en zeide toen, dat het onvermijdelijk en noodzakelijk was, dat de Chineesche generaal met Han Lee Hoa trouwde. Si Ting San had echter een beetje moed gekregen doordat hij er telkens zoo goed van afkwam, en antwoordde trotsch, dat hij in ’t geheel niet van plan was te gehoorzamen, en dat hij een beschermgeest had, die hem in alle gevaren beschermde. De prins riep dadelijk zijne soldaten, en liet Si Ting San zonder vorm van proces, op een stuk steen gebonden, weer in zee gooien. Gelukkig voor den jongen held had hij echter van te voren in zijnen eed gezegd, dat hij in den oceaan zou mogen terecht komen, maar toch niet sterven. Hij verdronk dus niet. Door een wondere tooverij was het prinselijk schip plotseling verdwenen, en zag hij vlak vóór zich de kust, waar zijn eigen kostbaar strijdpaard op hem stond te wachten. Hij bleef echter gebonden aan den steen, en wist, dat hij nooit zijn paard zou kunnen bestijgen als er geen redding kwam. Toen zag hij in de verte een ruiter aan galoppeeren, en weldra was Han Lee Hoa zelf vóór hem op de kust. In groot berouw smeekte hij om vergeving, en beloofde plechtig, haar tot zijn vrouw te maken. Hij zwoer nu een ernstigen, en zeer zwaren eed dat, als hij weêr ondankbaar was, zijne geheele familie en hijzelf door duizend messen en zwaarden zouden moeten sterven. Han Lee Hoa bond hem zelf van den steen los. Dezen keer brak de held zijn woord niet, maar galoppeerde terug naar zijn kamp. Met groote vreugde werd hij door zijnen vader Si Dzîn Kuì ontvangen. Iedereen in het Chineesche leger was in groote vrees voor Han Lee Hoa en hare tooverkunsten, zoodat Si Dzîn Kuì dadelijk er in toestemde, dat zijn zoon het barbaren-meisje tot vrouw nam, en zóó haar geheele rijk aan de Thang dynastie onderwierp.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings