Note 5 — EEN FANTAZIE1, NAAR AANLEIDING VAN LAO TSZ’S FILOSOFIE.
Reading edition
Het volgende, tot den zin: „En millioenen dingen keeren tot Een terug”, is eene bespreking van het eerste hoofdstuk van den Tao Teh King, niet eene vertaling. Lao Tsz’s wonder-simpele karakters zijn eenvoudig onvertaalbaar in even korte Hollandsche zinnen. Mijne uitlegging, gedeeltelijk aan de hand van Chineesche commentators, is eene geheel nieuwe, en volgens mijn beste weten de ware. Een der beroemdste, en in zekeren zin ook een der knapste sinologen, de heer Herbert Giles vertaalt van dit eerste hoofdstuk alleen den eersten zin, en vindt de rest niet de moeite waard! (Zie „the Remains of Lao Tzü” bij H. A. Giles, Hongkong, China Mail Office, 1886.) Deze zelfde geleerde vertaalt Tao door „the Way”, het Pad, niet inziende, hoe onmogelijk het is, dat, hetgeen Lao Tsz’ bedoelde, zijnde het Allerhoogste, het Eindelooze, een Pad kan zijn, daar een Pad (ook in figuurlijken zin) altijd naar iets toe leidt, en dus niet het hoogste is. Een ander, nog beroemder sinoloog, Dr. Legge, vertaalde Tao door „Course”. En van den simpelen zin: „Als Tao (uit)gezegd kon worden zou het niet de eeuwige Tao zijn,” maakte hij: „The Course that can be trodden is not the enduring and unchanging course.” De geheele kwestie is, dat het karakter Tao een groot aantal beteekenissen heeft, en in Confucius’ werk Chung Yung wel degelijk Pad beteekent. Maar in honderden gevallen beteekent het: „zeggen”.
Daar Lao Tsz’ het karakter in denzelfden volzin in twee beteekenissen gebruikt, zijn de vertalers er bijna allen ingeloopen. De zin: „Als Tao kon (uit)gezegd worden zou het de eeuwige Tao niet zijn” is zoo eenvoudig als maar mogelijk is, en in twee van mijne Chineesche edities geven de commentators ook „zeggen”, een zelfs nog duidelijker: „met den mond zeggen”. Maar van alle sinologen heeft alleen Wells Williams dezen zin goed vertaald, n.l.: „The Tao which can be expressed is not the eternal Tao.” (In zooverre goed, dat wel zijn constructie onzuiver is, maar hij tenminste de bedoeling heeft begrepen.)
Nadat mijn stuk reeds in De Gids was verschenen, kwam mij eerst Prof. De Groot’s werk: „Jaarlijksche feesten en gebruiken der Emoy Chineezen” in handen, waaruit ik zag, dat deze geleerde het in zooverre met mij eens is, dat ook hij zegt, dat Tao onvertaalbaar is, namelijk een beginsel „waarvan de wijsgeer zelf verklaarde den naam niet te weten en dat hij derhalve slechts bestempelde met den naam Tao.” De heer De Groot voegt hieraan toe: „Zoo men dit woord door de universeele ziel van de Natuur, algemeene Natuurkracht, of zelfs eenvoudig door Natuur vertaalt, dan, gelooven wij, zal men stellig niet ver van de bedoeling van den wijsgeer wezen.” Hoewel ik nog iets hoogers in Tao voel, heb ik van alle mij bekende opvattingen toch nog de meeste sympathie voor die van den heer De Groot. ↑