Note 17 — EEN FANTAZIE1, NAAR AANLEIDING VAN LAO TSZ’S FILOSOFIE.
Reading edition
„Het doet er al heel weinig toe, mijn beste jongen,” antwoordde de Wijze. „De ziel, die in dezen kunstenaar was, is in Tao vergleden, waarin gij eens verglijden zult. Zijn lichaam is vergaan, als de bladeren, zooals het uwe eens vergaan zal. Wat is er dus voor gewichtigs in zijnen naam? Maar ik wil het u wel zeggen. Hij heette Tan Wei17, en drukte dien naam in prachtig gestyleerde karakters in den rug van het beeld, omdat dit nu eenmaal in die tijden de gewoonte was. Wie hij was? Natuurlijk een gewoon werkman, die niet eens wist, dat hij een kunstenaar was, die zich volstrekt niet meer vond dan een’ gewonen landbouwer, en ook in ’t geheel niet vermoedde, hoe mooi zijn werk eigenlijk was. Maar hij had heel veel in de luchten om hem gezien, en hij hield van zeeën, en landschappen, en bloemen. Anders zou hij niet zoo gevoelig geweest zijn. Je ziet die simpele lijnen en pure kleuren alleen in de natuur. Hij was volstrekt niet beroemd. Gij zult zijn’ naam niet in de geschiedboeken vinden. Ik zou u niet kunnen zeggen, waar hij vandaan kwam, hoe hij leefde, hoe oud hij was. Ik weet alleen, dat het achthonderd jaar geleden is, toen er zulke beelden werden gemaakt, en de oude kunstkenners het beeld van uit de eerste helft der Mingdynastie rekenen te zijn. De kunstenaar leefde hoogstwaarschijnlijk heel stil het leven der anderen, werkte vlijtig als een gewoon werkman, en stierf eenvoudig, onbewust van zijne grootheid. Maar zijn werk bleef over, en dit beeld, dat door een gelukkig toeval in deze streken terecht kwam, waar de laatste oorlogen niet woedden, is hetzelfde wat het was, toen hij het maakte. Zóó kan het nog eeuwen en eeuwen staan, in ondoofbaren glans, in altijd maagdelijke majesteit! O! zóó iets maken, in argeloozen, puren eenvoud, is een dichter zijn! Dít is de kunst, die niet van de tijden is, maar van de eeuwigheid! Wat is dat mooi, vindt ge niet? Dat porselein, dat bijna niet vergaan kan, en die glans, die nooit verdooft! Het staat zoo sterk, en toch zoo teer hier op de aarde, en het zal er nog zijn, als onze kinderen reeds zijn gestorven! En de ziel van den kunstenaar is in Tao vergleden!”