Note 13 — EEN FANTAZIE1, NAAR AANLEIDING VAN LAO TSZ’S FILOSOFIE.
Reading edition
„Al deze vragen, mijn jongen, zijn een antwoord op mijne vraag,” zeide de Wijze. „Want dat gij dit alles weten wilt, is een bewijs, dat er niet veel dichters in uw land zijn. Denk er om, dat ik het woord dichter in de pure, hoogste beteekenis neem.—Een dichter kan alleen voor zijne kunst leven, die hij als kunst liefheeft, niet als een middel om wat vaag aardsch genot te verkrijgen. Een dichter ziet de menschen en dingen in hun eenvoudigste wezen, zóó simpel, dat hij bijna vlak bij Tao is. Andere menschen zien menschen en dingen verward, als onder dikke nevelen. Een dichter weet dit als een stellige waarheid. Hoe kan hij dan verwachten, dat zijn eenvoud gezien wordt door het vage, omwolkte volk? Hoe kan hij emotie van haat en droefheid voelen, als men hem bespot? Hoe kan hij geluk voelen, als men hem wil lauweren? Het is hiermede als met de vier jaargetijden van Chuang Tsz’. Het is niet bizonder verschrikkelijk, omdat het de natuurlijke gang der dingen is. Een dichter is dus niet in wanhoop als men hem hoort, en ook niet gelukkig als men hem huldigt. Hij ziet de dingen van het volk tegen hem aan als den natuurlijken loop der gevolgen, waarvan hij de oorzaken weet. Het oordeel van het gewone publiek is hem zelfs niet eens onverschillig. Het bestaat eenvoudig niet voor hem. Hij schept ook zijne verzen niet voor het volk, maar omdat hij ze nu eenmaal van-zelve schept. Het geluid der menschenwoorden over zijn werk ontgaat hem, en hij weet niet, of hij beroemd is, of vergeten.13 De hoogste beroemdheid is géén beroemdheid te hebben. Gij ziet mij aan, jongeman, alsof ik u wonderen zeg, van welke gij nooit hebt durven droomen. Maar ik zeg u niets dan heel eenvoudige waarheid, zoo simpel en natuurlijk als de waarheid in een landschap of eene zee. Omdat gij nog niet lang geleden in het drukke leven der menschen van uw land waart, hebt gij nooit waren eenvoud gezien. Gij hebt zóó lang van niets anders hooren spreken dan van verdienste, roem, eer, artiesten en onsterfelijkheid, dat gij niet beter wist, of deze dingen waren onmisbaar als de lucht, die gij ademt, en reëel als uw ziel. Maar het is alles schijn en bedrog. Wie gij gezien hebt waren wel dichters van reinen oorsprong misschien, maar zij zijn afgedwaald van de beweging, die hun principe was uit Tao, en zij zijn niet gebleven wat zij waren, maar door zwakte afgedaald tot de dingen der ordinaire menschen. Zij doen juist hetzelfde als de vulgaire menschen doen, en nog heviger. Ik begrijp dit uit uwe vragen. Welnu, alle dezen zijn geen dichters meer, en zullen ook geen ware poëzie meer zingen zoolang zij zoo zijn. Want de geringste afwijking van de oorspronkelijke beweging is voldoende om de poëzie te dooden. Er is maar ééne, rechte weg, simpel, en maagdelijk, maar streng als de rechte lijn. Die rechte lijn is het van-zelve. Daarbuiten ligt het onnatuurlijke, de valsche actie, de wegen naar roem en aanzien, waar moord en doodslag gebeurt, en de eene boezemvriend het bloed van den ander wel zou drinken om zijn doel te bereiken. De rechte lijn gaat van-zelve, zonder afwijking, zonder geheime richting, in simpelen staat naar het eindelooze.