Note 4 — WAVERLEY ZET ZIJN REIS VOORT.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
Toen Fergus en Waverley elkander ontmoetten, was deze getroffen door de bijzondere, bevalligheid en waardigheid van des hoofdmans verschijning. Van meer dan middelmatige lengte, en schoon gebouwd, stelde de Hooglandsche kleeding, die hij op de eenvoudigste wijze droeg, zijn persoon in het gunstigste licht. Hij droeg de trews of nauwe zwarte overbroek, met roode en witte ruiten; voor het overige was zijn kleeding volkomen gelijk aan die van Evan, uitgenomen dat hij geen wapen voerde, behalve een zeer rijk met zilver versierden dolk. Zijn page droeg, zoo als we gezegd hebben, zijn sabel; en het geweer, dat Fergus in de hand hield, scheen enkel voor de jacht bestemd. Hij had onder weg eenige jonge eendvogels geschoten; daar, schoon de „verboden” tijd toen onbekend was, het broedsel der korhoenders nog te jong voor den jager was. De trekken van zijn gelaat waren bepaald Schotsch, met al de eigenaardigheden der physionomie van het Noorden; zij bezaten echter zoo weinig van de daarmede verbonden hardheid en overdrevenheid, dat men ze in elk land schoon zou genoemd hebben. Het krijgshaftig aanzien van de muts, met een enkele adelaarsveder4 als onderscheidingsteeken versierd, vermeerderde niet weinig het manhaftige, waardoor zijn hoofd zich kenmerkte, dat bovendien met een veel natuurlijker en bevalliger bos zwarte krullen bedekt was, dan ooit bij een mode-kapper te koop werd aangeboden.