Note 4 — WAVERLEY-HONOUR.1 EEN TERUGBLIK.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
De kleine Eduard, de held onzer geschiedenis, toen in zijn vijfde jaar, was hun eenig kind. Op zekeren morgen liep de jongen met de meid, aan wier zorgen hij toevertrouwd was, een half uur verder dan de oprijlaan van Brere-Wood-Lodge, zijns vaders plaats. Hunne aandacht werd getrokken door eene koets met zes deftige, zwarte langstaart paarden bespannen, en met zoo veel snijwerk en verguldsel dat het zelfs den Lord Mayor eere zou hebben aangedaan. Het rijtuig wachtte op den eigenaar, die, op een kleinen afstand, zich onledig hield met het nagaan der vorderingen van een half gebouwde pachterswoning. Ik weet niet of de „bonne” van den knaap eene vrouw uit Wallis of uit Schotland4 geweest was, of op welke wijze hij een wapenschild met drie hermelijnen met het denkbeeld van persoonlijk eigendom in verband bracht; maar zoodra hij het wapen der familie zag, besloot hij stoutweg zijn recht te doen gelden op het schitterende rijtuig, waarop het geschilderd was. De baronet kwam terug, terwijl de meid het kind te vergeefs van zijn voornemen poogde terug te brengen, om zich de vergulde koets met zes paarden toe te eigenen. De ontmoeting had op een gelukkig oogenblik voor Eduard plaats, daar de aandacht zijns ooms juist, met een zeker weemoedig gevoel was gevallen op de flinke knapen van den forschen landman, wiens woning volgens zijne plannen gebouwd werd. In het ronde, blozende gelaat van den kleinen engel dáar, vóor hem, die zijn oog had, zijn naam droeg en eene erfelijke aanspraak op zijn bloedverwantschap, genegenheid en bescherming bezat, krachtens een band, door Sir Everard even heilig geacht, als de Kouseband of de Blauwe mantel5, scheen de Voorzienigheid hem juist het meest geschikte voorwerp toe te zenden, om de leegte in zijne toekomst en in zijn hart aan te vullen. Het kind en de meid werden in het rijtuig terug gezonden naar Brere-Wood-Lodge, met eene boodschap, welke voor Richard Waverley de deur van verzoening met zijn ouderen broeder openzette. Hun omgang evenwel bleef eer stijf en beleefd, dan broederlijk en hartelijk; maar voldeed aan de wenschen van beide partijen. Sir Everard genoot in het gezelschap van zijn kleinen neef de voldoening voor zijn trots, dat zijn geslacht niet zou uitsterven, terwijl hij tegelijker tijd zijn hartelijke genegenheid aan het kind schenken kon. Wat Richard Waverley betreft, deze zag, in de toenemende liefde tusschen oom en neef, het middel om de toekomst van zijn zoon te verzekeren, zoo al niet om zijn eigen erfopvolging te bevorderen, die hij besefte, eer in gevaar geraken, dan bevorderd zou worden door een poging zijnerzijds, tot een meer innigen omgang met een man van Sir Everards gewoonten en gevoelens.