← Table of contents
Waverley

Note 3 — VERWOESTING.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Zoodra hij het voorplein betrad, zag Eduard de vrees verwezenlijkt, die het ontwaren dezer eerste verwoestingen bij hem had doen ontstaan. Het huis was door ’s Konings troepen geplunderd, die zelfs, in schandelijken overmoed, gepoogd hadden het af te branden; en ofschoon de dikke muren grootendeels het vuur hadden weêrstand geboden, zoo waren toch de stallen en schuren geheel en al vernield. De torens en kanteelen van het hoofdgebouw waren geschroeid en geblakerd; het plaveisel der binnenplaats verwoest, de deuren neêrgerukt of hangende aan een enkel hengsel; de ramen ingeslagen en vernield, en de grond overdekt met allerhande gebroken huisraad. De kenmerken van aloude grootheid, waarvoor de Baron, in den trots van zijn hart, zoo veel eerbied had gekoesterd, waren met een bijzondere minachting behandeld. De fontein was vernield, en de bron die haar van water voorzag, stroomde nu over het voorplein heen. Het steenen bekken scheen bestemd te zijn tot een drinktrog voor het vee, naar de wijze te oordeelen, waarop het op den grond geplaatst was. De geheele stam der Beeren, groot en klein, had hetzelfde lot ondergaan als die den ingang van de laan bewaakten: en een stuk of wat der familie-portretten die den soldaten, als schijven schenen gediend te hebben, lagen in flarden op den grond. Gelijk men zich verbeelden kan, zag Eduard met een bloedend hart de verwoesting van zulk een eerwaardig gebouw aan. Maar zijn verlangen, om het lot der bewoners te leeren kennen, en zijn vrees om te vernemen, hoedanig dit lot wel zijn kon, namen met iedere schrede toe. Toen hij op het terras kwam, deden zich nieuwe tooneelen van verwoesting voor hem op. De balustrade was neêrgeworpen, de muren vernield, de paden met onkruid bewassen, en de vruchtboomen omgehakt of uitgegraven. In een hoek van den ouderwetschen tuin stonden twee ontzaglijk groote wilde kastanjeboomen, waarop de Baron bijzonder grootsch was: te lui misschien, om ze omver te hakken, hadden de plunderaars, met kwaadaardig overleg, ze ondermijnd, en wat buskruid in het gat aangebracht. De een was door de uitbarsting tot splinters geslagen, en de stukken lagen er rondom heen verstrooid, en overdekten den grond, dien de boom zoo lang had overschaduwd. De andere mijn had zulk een volkomene uitwerking niet gehad. Ongeveer een vierde van den boomstam was van het overige afgescheurd, die dus verminkt en geschonden aan de eene zijde, aan den anderen kant nog zijn zware en ongeschondene takken uitstrekte.3

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings