← Table of contents
Waverley

Note 1 — MEER OPHELDERING.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

„Ik heb gedaan wat ik als mijn plicht beschouwde,” zeide de goede oude man, „en buiten twijfel doen zij, wat zij voor den hunne houden. Het doet mij somtijds wel zeer, op deze zwartgebrande muren van het huis mijner voorouders te staren; maar men weet dat officieren de hand van den soldaat niet altijd in bedwang kunnen houden, en roof en plundering tegengaan. Zelfs Gustaaf Adolf, zooals gij lezen kunt in Kolonel Munro’s Tocht met het brave Schotsche regiment, „Mackay’s regiment” genoemd, stond soms de plundering toe. Ik heb zelf inderdaad elders even treurige tooneelen van verwoesting gezien, als Tully-Veolan nu oplevert, toen ik onder den maarschalk hertog van Berwick diende. Voorwaar, wij mogen met Virgilius Maro zeggen, Fuimus Troës1 – en ziedaar het einde van een oud liedje. Maar huizen en families en mannen hebben lang genoeg bestaan, wanneer ze staan tot zij met eere vallen; en nu heb ik een huis gekregen, dat niet kwalijk gelijkt naar een domus ultima.”2 – zij waren nu tot den voet eener steile rots genaderd – „Wij, arme Jacobieten,” dus ging de Baron voort, terwijl hij de oogen opsloeg, „wij zijn nu gelijk de konijnen in de H. Schrift, (die de groote reiziger Pococke „jerbous” noemt) een zwak ras, dat zijn nest in de rotsen maakt. En nu; vaarwel, mijn beste jongen, tot wij elkander van avond bij Janet ontmoeten; want ik moet maken dat ik in mijn Patmos kom, wat niet al te gemakkelijk werk is voor mijn oude stijve leden.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings