Note 4 — HOOGLANDSCHE DICHTKUNST.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
Eenige schreden verder onder de brug, waarvan het gezicht hem zoo veel schrik had veroorzaakt, liep het pad, naarmate het zich meer van den stroom verwijderde, steiler naar boven, en verbreedde zich het dal tot een boschrijke kom, bezet met berken, jonge eiken en hazelaren, waartusschen zich hier en daar een taxisboom verhief. De rotsen weken thans naar achteren, ofschoon ze nog voortdurend haar grijze en ruige toppen hier en daar zichtbaar lieten tusschen het kreupelhout. Nog hooger op ontwaarde men andere rotsen, wier spitsen, gedeeltelijk kaal, gedeeltelijk met boschaadjes bekleed waren, terwijl sommigen rond en purperkleurig met de bloeiende heiplanten en andere gespleten, verbrokkeld en verdeeld zich aan het oog voordeden. Na een korte wending bracht het pad dat nu eenigen tijd buiten het gezicht van den stroom had voortgeloopen, Waverley op eens vlak voor een schoonen waterval. Deze was minder opmerkelijk om de hoogte, vanwaar hij nederstortte en zijn groote waterstraal, dan om de bijkomende schoonheden, die de plek versierden. Na een gebroken val van omtrent twintig voet, werd de stroom opgevangen in een ruime, door de natuur gevormde kom, tot aan den rand met water gevuld, hetwelk, waar het schuim van den val ophield, zoo bij uitstek helder was, dat, in weerwil van de geweldige diepte, het oog elk steentje op den bodem kon onderscheiden. In deze soort van ketel ronddraaiende, vond de stroom een uitgang over een soort van gebroken rotsrand, en vormde een tweeden val, die in den afgrond zelven stortte: waarna hij vantusschen de zwarte rotsen stroomende, die door de eeuwen gepolijst en glad gemaakt waren, kabbelende in de vallei wegdreef en de beek vormde, langs welker oevers Waverley zoo even gewandeld had.4 Alles wat deze schilderachtige kom omringde was even schoon; maar het was een schoonheid die iets statigs en stouts bijna iets groots had. De met mos begroeide oeverzoomen werden afgewisseld door geweldige rotsbrokken, en versierd met boomen en heesters, waarvan sommigen onder Flora’s leiding geplant waren, maar met zooveel overleg, dat ze het bevallige van het landschap bevorderden, zonder de schilderachtige trotschheid er van in het minst te benadeelen.