← Table of contents
Waverley

Note 1 — EENE ONTDEKKING. WAVERLEY GERAAKT OP TULLY-VEOLAN TE HUIS.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Geheel ter neêr geslagen door deze ontdekking, zocht hij zijn vriendelijken gastheer op, en beklaagde zich eerbiedig maar met nadruk bij hem over het hem aangedane onrecht, daar de baron hem verhinderd had, de zaak met den heer Falconer af te doen, hetgeen uit aanmerking van zijn jeugd en van den pas aangetrokken krijgsmansrok, slechts strekken kon om hem in een zeer ongunstig daglicht te plaatsen. De Baron rechtvaardigde zich uitvoeriger, dan hier behoeft te worden medegedeeld. Hij hield staande, dat, daar de twist beiden gold, Balmawhapple, overeenkomstig de wetten der eer, er niet buiten kon om beide genoegdoening te geven. Hij had dit gedaan tegenover hem, door een eervolle ontmoeting, en bij Eduard door zulk een herroeping, voegde de Baron er bij, die het gebruik van den degen onnoodig maakte, en die, nadat ze gedaan en aangenomen was, de geheele zaak als geëindigd moest doen beschouwen. Deze verontschuldiging of verklaring sloot Waverley den mond, al bevredigde ze hem niet volkomen; maar hij kon niet nalaten eenig ongenoegen te toonen tegen den Gezegenden Beer, die aanleiding tot den twist had gegeven, noch te verzwijgen, dat deze naar zijn meening den hem geschonken titel alles behalve verdiende. De Baron stemde toe, niet te kunnen ontkennen, dat „de beer, schoon door wapenkundigen voor een zeer vereerend teeken gehouden, nogtans wat korzelig en grommig van aard was, (zoo als men bij Archibald Simson, pastoor van Dalkeith, in zijn Hierogliphica Animalium lezen kan) en hij was dus het zinnebeeld geweest van een aantal twisten en oneenigheden in den huize Bradwardine, onder welke,” ging hij voort, „ik mijn eigen ongelukkig geschil kan aanhalen met mijn neef, in den derden graad van moeders zijde, sir Hew Halbert. Deze had de onvoorzichtigheid om mijn familie-naam te bespotten, alsof die quasi Beer-waardijn of Beren-hoeder geweest ware; een onheusche aardigheid, daar zij niet slechts doet vermoeden, dat de stichter van ons huis zulk een geringe betrekking als die van oppasser van wilde dieren bekleedde, een ambt, zooals gij opgemerkt zult hebben dat slechts aan de laagste plebejers wordt toevertrouwd; maar ze gaf bovendien nog te kennen, dat ons wapenschild niet verkregen zou zijn door eervolle daden in den oorlog, maar bij wijze van paranomasia, of toespeling op onzen familie-naam, iets dat de Franschen armoires parlantes, de Latijnen arma cantantia, dat is „sprekende wapens” noemen;1 daar dit inderdaad eene soort van blazoenering is, die beter voegt aan letterknechten, woordkramers en dergelijk bedelvolk, wier brabbeltaal op woordspelingen gegrond is, dan aan de edele, eervolle en nuttige heraldiek, die wapens toekent als vergelding van edele en grootmoedige daden, en niet om het oor te streelen met de ijdele quodlibets, die men in boeken met snakerijen vindt.”2 Van zijn twist met sir Hew sprak de baron geen woord meer, dan dat die op eene voegzame wijze beslist was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings