← Table of contents
Waverley

Note 2 — EEN OUDE EN EEN NIEUWE KENNIS.

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Karel Eduard, van zijn kant, scheen verlangend om hun, die hem omringden, de waarde te doen kennen, welke hij aan dezen nieuwen aanhanger zijner zaak hechtte, door hem onmiddellijk in zijn vertrouwen te nemen, met betrekking tot de omstandigheden, waarin hij zich bevond. „Men heeft u zoo zeer van alle inlichtingen verstoken gelaten, mijnheer Waverley,” zeide hij, „om redenen, die ik maar half begrijp, dat gij, naar ik veronderstel, tot op dit oogenblik met de belangrijkste bijzonderheden van mijn tegenwoordigen toestand onbekend zijt. Gij hebt echter gehoord van mijne landing in het afgelegen district Moidart2, met slechts zeven personen, en van de talrijke opperhoofden en clans, wier oprechte geestdrift voor de goede zaak den verlaten avonturier op eens aan het hoofd van een dapper leger plaatste. Gij zult, denk ik, ook vernomen hebben dat de opperbevelhebber van den Hannoverschen Keurvorst, de Hooglanden binnentrok, aan het hoofd eener talrijke en welgeregelde krijgsmacht, met oogmerk om ons slag te leveren, maar dat de moed hem ontbrak, toen wij nog slechts een marsch van drie uren van elkander verwijderd waren, zoodat hij ons netjes ontsnapte, en noordwaarts naar Aberdeen aftrok, terwijl hij het Laagland open en onbeschermd liet. Om zulk eene gunstige gelegenheid niet te verzuimen, trok ik op deze hoofdstad aan, dreef twee regimenten paardenvolk voor mij uit, die gedreigd hadden iederen Hooglander in de pan te hakken, die het wagen mocht voorbij Stirling te komen; en terwijl men overlegde, bij de regeering en de burgers, of men zich zou verdedigen of overgeven, bespaarde mijn goede vriend Lochiel (dit zeggende legde hij de hand op den schouder van dit bekwaam en dapper opperhoofd) hun de moeite van verdere overweging, door met vijf honderd Camerons de poort binnen te dringen. Tot dus verre, derhalve, hebben wij het goed gemaakt; maar nu de zenuwen van dien dapperen bevelhebber versterkt zijn door de lucht van Aberdeen, heeft hij zich ingescheept naar Dunbar, en ik heb zoo even het stellige bericht ontvangen dat hij gisteren dáar is geland. Het moet ontwijfelbaar zijn voornemen zijn op ons af te komen, om weder in het bezit van de hoofdstad te geraken. Nu zijn er twee gevoelens in mijn krijgsraad: het eene, dat, daar wij waarschijnlijk minder sterk in getal zijn, en zeker minder sterk in krijgstucht en hulpmiddelen, gezwegen van ons volslagen gebrek aan geschut, en de zwakheid onzer ruiterij, het voorzichtig zal zijn ons in het gebergte terug te trekken, en daar den oorlog te rekken, totdat er versche hulp uit Frankrijk komt, en al de Hooglandsche clans de wapens voor ons hebben opgevat. Het tegenovergestelde gevoelen is, dat eene achterwaartsche beweging, in onze omstandigheden, zeker het grootste wantrouwen in onze zaak en in onze wapens met zich zal voeren, en, wel verre van ons nieuwe medestanders te verwerven, het middel zal zijn om diegenen te ontmoedigen, welke zich aan onze zijde hebben geschaard. De officieren, die dit laatste aanvoeren, en onder wie uw vriend Fergus Mac-Ivor behoort, houden staande, dat, zoo de Hooglanders vreemd zijn aan de gewone krijgstucht van Europa, de soldaten, die zij te bestrijden hebben, niet minder vreemd zijn aan de vreeselijke wijze van aanvallen die hun eigen is: dat men omtrent de gehechtheid en den moed der opperhoofden en heeren geen twijfel kan voeden; en dat, daar zij zich midden in de vijandelijke rangen zullen werpen, hunne clanslieden hen zeker zullen volgen; in één woord, dat, daar wij het zwaard getrokken hebben, wij de schede moeten wegwerpen, en onze zaak aan den strijd en aan God toevertrouwen, die de overwinning geeft. Wil de heer Waverley, in deze moeielijke omstandigheden, ons ook zijn gevoelen mededeelen?”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings