Note 1 — EEN HOOGLANDSCH FEEST.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
De zaal, waarin het feest werd bereid besloeg de gansche ruimte van Ian nan Chaistel’s oorspronkelijk verblijf, en een zware eiken tafel nam de geheele lengte daarvan in. Het middagmaai was eenvoudig, ja zelfs meer dan eenvoudig, en het gezelschap zoo talrijk, dat het elkander bijna verdrong. Aan het hoofd van de tafel waren de hoofdman, met Eduard en twee of drie Hooglandsche bezoekers van naburige clans gezeten. Daarop volgden in rang de oudsten van zijn eigen stam, wadsetters en tacksmen1, gelijk ze genoemd werden, die gedeelten van zijn landerijen als pachters of huurders bewoonden. Een weinig lager dan zij, zaten hunne zoons, neven en zoogbroeders, de officieren der huishouding van het Opperhoofd, ieder overeenkomstig zijn rang; en het laagst van allen, aan het einde van de tafel, de meiers of boeren, die inderdaad den grond bewerkten. Zelfs voorbij deze lange reeks van gasten kon Eduard op het veld, waarheen een paar zware geopende vleugeldeuren voerden, een menigte Hooglanders zien van nog lageren stand, die eveneens als gasten werden beschouwd, en zoowel hun deel hadden aan den door den gastheer ten toon gespreiden luister, als aan de goede sier van den dag. Op een afstand, en als golvende rondom het feestmaal, bevond zich een bonte groep van vrouwen, havelooze knapen en meisjes, bedelaars, jong en oud, groote windhonden, dashonden en speurhonden, en rekels van de slechtste soort; welke allen, meer of min onmiddellijk, aan het maal deel namen.