Note 3 — DE ZUSTER VAN DEN HOOFDMAN.
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
De liefde tot haar clan, die ze als een erfdeel in haar hart koesterde, had even als hare trouw aan het koninklijke huis, een zuiverder beginsel dan die van haar broeder. Fergus was een te degelijk staatsman, en beschouwde zijn aartsvaderlijk gezag te zeer als een middel om zijn eigene grootheid te bevorderen, dan dat wij hem het voorbeeld van een Hooglandsch Opperhoofd noemen zouden. Flora ijverde insgelijks, om hunne patriarchale heerschappij aan te kweeken en uit te breiden; maar het was met de grootmoedige bedoeling, om diegenen voor armoede, of ten minste voor gebrek en vreemde onderdrukking te bewaren, over wie haar broeder, volgens de begrippen van dien tijd, door zijn geboorte geroepen was te heerschen. Wat ze van haar inkomen besparen kon, want ze trok een gering jaargeld van de prinses Sobieski3, werd besteed, niet om de geriefelijkheden des levens voor den boerenstand te vermeerderen – want dat was een woord, hetwelk ze verstonden noch waarschijnlijk wenschten te verstaan, – maar om in hunne volstrekte behoeften, bij ziekte of ouderdom te gemoet te komen. Op iederen anderen tijd sloofden deze lieden zich veeleer af, om iets te winnen, dat ze met den Hoofdman zouden kunnen deelen, als een bewijs van hunne gehechtheid, dan dat ze van hem op eenigen anderen bijstand rekenden boven hetgeen de eenvoudige gastvrijheid van zijn kasteel, en de algemeene verdeeling en onderverdeeling zijner landgoederen onder hen opleverden. Ze waren zoo zeer aan Flora gehecht, dat, toen Mac-Murrough een lied had vervaardigd, waarin hij al de bijzondere schoonheden van het district opsomde, hij eindigde met haar den voorrang boven alles toe te kennen, en wel door het beeld, „dat de schoonste appel aan den hoogsten tak hing.” Hij ontving daarvoor, in geschenken van enkele leden des clans, meer zaaigerst, dan voldoende was om zijn Hooglandschen Parnassus, dien men gewoon was den Bardentuin te noemen, tienmalen te bezaaien.