← Table of contents
Waarheid en droomen

Note 1 — DE BIBLIOTHEEK.

Reading edition

Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van koû ben. Neen! ik ben evenzeer een vijand van een gematigde temperatuur; ik hou van heet, positief heet. Overal waar ik kom, ben ik een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne de eerste stralen van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van kennis te maken met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij lief heeft werpt, als hij mij ziet aankomen, nog in de vlucht een extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame van mijn kennis, die mij om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd juist een nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn gehardheid tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige zeldzaamheid, waaromtrent ik het niet eens ben, of ik die salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling der natuur, of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij zijn te vragen, wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn lichaam het een of ander niet bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo koûelijk niet! is of men een kreupele gebood: maar loop dan toch zoo niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers, of ik het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel in Gods hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan er niet tegen: de natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter misslag, dan toen zij mij, wiens lichaam de onbeschaamdste vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren worden waar men van de zon der fireworshippers—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel mogelijk in het brandpunt van onze bleeke dagmaan1 plaats, met het gevoel van een wrange October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur stilzwijgend verwijt, dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig gloed voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist. Indien ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet! ik ben hier een exotische plant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen van zekere steenen, die bij een onweder uit de lucht komen vallen, waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op aarde te komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een noodlottige vergissing van de een of andere warmer star op aarde verdwaald geraakt. Wie weet! misschien ben ik oorspronkelijk wel „een Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis. Hoe het zij, het is droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten kwade duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente portie van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door in het winterhalfjaar mijn schâ zooveel mogelijk in te halen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings