Note 1 — VIII. DE LICHTTOREN AAN DEN VLAKKEN HOEK
Reading edition
De vlakke wildernis is gedeeltelijk moerasbosch, waar in de vette slib alleen de krabben snappen en de lugubre varaan1 met mal-lange likkende tong den spiedenden kop vèr vooruit steekt; gedeeltelijk vrij laag bosch, waar het gewone kleine gedoe leeft van apen, tijgerkatten, varkens, marters en bunzingen. In die wildernis komen ook wel de grootere dieren, ook de Gestreepte, ook de zwarte panter en de nevel-panter, die waarschijnlijk in één nest lagen. Zij besluipen de herten en de reeën en de dwerghertjes met hun fijne beentjes en groote, bange oogen; — deze zijn voor de lenige katten een fijner hapje dan het dagelijksch maal aan varkensvleesch, en zij leveren voor de fulpen lichamen heel wat minder gevaar op dan de kop van den volwassen ever met de verschrikkelijke, onwrikbaar ingeplante slagtanden.