Note 4 — II. VAN MENSCH TOT TIJGER
Reading edition
„Houd mij niet tegen, ik ben niet meer een mensch als vroeger, ik moet weg, het bosch in. Je zult mij nimmer als mensch terug zien, maar ik ben niet voor je verloren: als jij of de kinderen, en alle onze nakomelingen, soesah hebben, zoek mij dan op „di Padang Soedoet”, aan den rand van het oerwoud. Maak dan een sanggal, een offer van vier rauwe kippeneieren en „padi dirandang”,4 en leg de eieren tusschen lamang5. Maar, vrouw, zeg aan de kinderen, dat zij, noch iemand van onzen stam ooit meer een bakoel op het hoofd mogen dragen, en nimmer met de handen aan de slapen mogen loopen. Ik voel, dat ik De Oude, Setoewo6 zal worden, en zooals ik nu een witten lendendoek draag, zoo zal ik aan een witten band kenbaar zijn”… en mèt was hij verdwenen.