Note 1 — Voor Engelands hoofdrivier.
Reading edition
Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam over de heele aarde, zelfs door de Engelschen met eere genoemd werd, na die schoone overwinning te Vlissingen aanwal stapte! Men verdrong elkander om hem te zien, en iedere Vlissinger, van groot tot klein, had een gevoel van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf was. De geestdrift, die er heerschte toen van de „Zeven Provinciën”1 zijn Admiraalsschip, het kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om zich aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde het gedonder van het geschut in het geroep van: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” uitgeschreeuwd tot de keel heesch werd door die wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van hare kinderen den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was niet één, als hij, die daar kwam in alle nederigheid en eenvoud, met oogen die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd Vlissingen weer zag; met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht aan die lieve, beste, brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de groene zoden van het kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te slapen was gegaan!