Note 1 — Het muist, wat van katten komt.
Reading edition
„Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik de zee hoor bruisen, zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan schuimend bier. Ik ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op zee. Ik heb uwe Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar éénen keer te vertellen, omdat ze bang was, dat een van allen ook zou gaan varen. Ik heb ze ook niet verteld, en zonder dat te doen is er toch één het zeegat uitgegaan. Ik heb daarom aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond doen mocht en toen heeft ze gezegd: „Och, Adriaen, doe het maar! Het zwijgen heeft toch niet geholpen!” Dat is nu uw Vaders geschiedenis, kinderen! Ik ben nu aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef, maar—de glazen vol, vrienden, boordevol,—al ben ik de grootste landrot, die er leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in: „Kielen, wielen, rand om ’t land.1 Maar de kielen, het eerst genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan.”