Note 3 — XXXVIII.
Reading edition
“Integendeel, Dick, want toen moest men niet alleen de rivier opnemen, maar ook de papieren van den reiziger wedervinden. In 1816 werd eene expeditie te Londen uitgerust, waaraan majoor Gray deel nam; deze kwam aan den Senegal, drong in Fouta-Djallon door, bezocht de Foullahs en Mandingo’s en kwam onverrichter zake in Engeland terug. In 1822 onderzocht majoor Laing het geheele westelijk gedeelte van Afrika, dat aan de Engelsche bezittingen grenst en hij was de eerste, die de bronnen van den Niger bereikte; volgens zijne aanteekeningen zijn de bronnen van die onmetelijke rivier geene twee voet breed.”—“Gemakkelijk om over te springen,” zeide Joe.—“He! he! gemakkelijk!” antwoordde de doctor. “Als men aan de overlevering geloof slaat, wordt hij, die beproeft deze bronnen over te springen, onmiddellijk verzwolgen, en die er water uit wil putten, wordt door eene onzichtbare hand teruggestooten.”—“En het staat ons vrij, daarvan geen woord te gelooven?” vroeg Joe.—“Zeker. Vijf jaar later moest majoor Laing de Sahara doortrekken; te Tombuctou gekomen en eenige mijlen hooger op, werd hij gewurgd door de Ouelad-Shiman, die hem wilden dwingen muselman te worden.”—“Weder een slachtoffer!” zeide de jager.—“Toen ondernam een moedig jongeling met zijne zwakke hulpmiddelen de verbazendste der hedendaagsche reizen, dat was de Franschman Réné Caillië. Na verschillende pogingen in 1819 en 1824 vertrok hij op nieuw den 19den April 1827 van den Rio-Nunez; den 3den Augustus kwam hij zoo uitgeput en ziek te Timé, dat hij niet vóór Januari 1828, dat is zes maanden daarna, zijne reis kon hervatten; hij voegde zich toen bij eene karavaan, beschermd door zijn oostersch kleed, bereikte den 10den Maart den Niger, drong in de stad Jenné door, scheepte zich op de rivier in en zakte haar af tot aan Tombuctou, waar hij den 30sten April aankwam. Een ander Franschman, Imbert, in 1670, een Engelschman, Robert Adams in 1810, hadden misschien deze merkwaardige stad gezien; maar Réné Caillié was de eerste Europeaan, die nauwkeurige berichten heeft gegeven; den 4den Mei verliet hij de koningin der woestijn, den 9den herkende hij de plaats, waar de majoor Laing was vermoord, den 19den kwam hij te El-Araouan en verliet de handelsstad om, te midden van duizend gevaren de uitgestrekte woestenijen tusschen Soudan en de noordelijke streken van Afrika door te trekken; eindelijk kwam hij te Tanger en den 28sten September scheepte hij zich in naar Toulon; in 19 maanden, ondanks 180 dagen ziekte, had hij Afrika van het westen tot het noorden doorkruist. Als Caillié in Engeland was geboren, zou men hem vereerd hebben als den onverschrokkensten reiziger der hedendaagsche tijden, even als Mungo Park! Maar in Frankrijk werd hij niet op rechten prijs gesteld3.”—“Het was een moedig man.” zeide de jager. “Wat is er van hem geworden?”—“Hij is 39 jaar oud gestorven aan de gevolgen zijner vermoeienissen; men geloofde genoeg gedaan te hebben met hem den prijs van het Aardrijkskundig Gezelschap in 1828 toe te kennen; de grootste eer zou hem in Engeland bewezen zijn. Voor het overige beraamde een Engelschman, terwijl Caillié zijne verwonderlijke reis volbracht, dezelfde onderneming en beproefde haar met evenveel moed, al is het dan niet met evenveel geluk. Het was kapitein Clapperton, de reisgezel van Denham. In 1829 ging hij weder naar Afrika langs de westkust van de golf van Benin, volgde het spoor van Mungo-Park en Laing, vond in Boussa de aanteekeningen, betrekking hebbende op den dood des eersten weder, kwam den 20sten Augustus te Sackatou, waar hij gevangen gehouden zijnde den laatsten adem uitblies in de armen van zijn getrouwen bediende Richard Lander.”—“En wat werd er van dien Lander?” vroeg Joe belangstellend.—“Het gelukte hem de kust weder te bereiken en te Londen terug te komen, de papieren van den kapitein en een nauwkeurig verhaal zijner eigene reis medebrengende; toen bood hij aan het gouvernement zijne diensten aan om de kennis van den Niger te voltooien; hij nam zijn broeder John, tweeden zoon van arme lieden uit Corn-Wallis mede, en beiden zakten zij van 1829 tot 1831 de rivier af van Boussa tot aan hare uitwatering, dorp voor dorp, mijl voor mijl beschrijvende.”—“Dus ontsnapten die twee broeders aan het algemeene lot?” vroeg Kennedy.—“Ja, ten minste op deze expeditie; want in 1833 ondernam Richard eene derde reis naar den Niger en stierf, door een onbekenden kogel getroffen, aan den mond der rivier. Gij ziet dus, mijne vrienden, dat dit land, dat wij doortrekken, getuige is geweest van edele zelfopofferingen, die al te dikwijls slechts den dood tot belooning hebben gehad.”