Note 1 — XXXVIII.
Reading edition
Ferguson en Kennedy keken naar omlaag en zagen een groote verzameling van wezens, van allerlei soort; er waren meer dan honderd vijftig kameelen, en wel van die welke voor twaalf gouden mutkals1 van Tombuctou naar Tafilet gaan, beladen met 500 pond; allen droegen onder de staart een kleinen zak, bestemd om hunne uitwerpsels op te vangen, hetgeen de eenige brandstof is, waarop men in de woestijn kan rekenen. Deze kameelen der Touaregs zijn van het beste ras; zij kunnen van drie tot zeven dagen zonder drinken blijven en twee dagen zonder eten; hunne vlugheid overtreft die der paarden en zij gehoorzamen vernuftig aan de stem van den Khabir, den aanvoerder der karavaan. Men kent hen in het land onder den naam van Mehari. Deze bijzonderheden verhaalde de doctor, terwijl zijne reisgezellen deze menigte mannen, vrouwen en kinderen beschouwden, die met moeite liepen op half beweeglijk zand, dat nauwlijks werd tegengehouden door eenige distels, verdord gras en lage doornstruiken. Joe vroeg hoe de Arabieren zich in de woestijn konden richten en de hier en daar in deze onmetelijke eenzaamheid verspreide putten bereiken.—“De Arabieren,” antwoordde Ferguson, “hebben van de natuur een wonderbaar instinct ontvangen om hun weg te herkennen. Daar waar een Europeaan geheel van de wijs zou zijn, aarzelen zij nooit. Een onbeduidende steen, een keisteen, eenige boomen, de verschillende kleuren van het zand zijn hun voldoende om veilig te reizen; des nachts richten zij zich naar de poolster; zij leggen niet meer dan twee mijlen per uur af en rusten slechts bij de groote middaghitte; denk nu eens hoeveel tijd zij noodig hebben om de Sahara, die meer dan 900 mijlen lang is, door te trekken.” Maar de ballon was reeds uit de oogen der verbaasde Arabieren verdwenen, die zijne snelheid moesten benijden. Des avonds passeerde hij op 2° 20′ lengte2 en legde des nachts nog meer dan een graad af.